Zhuang Zi formuleert het antwoord op de vraag naar de zin van filosofische
schermutselingen met een tegenvraag:
Stel dat jij en ik een discussie zouden beginnen. Als jij zou
winnen - en ik dus niet van jou gewonnen had - zou jij dan inderdaad
gelijk hebben en ik ongelijk? En wanneer ik gewonnen had - en jij
dus niet - zou ik dan inderdaad gelijk hebben en jij ongelijk? Is
een van ons in het gelijk en dus de ander niet? Of zijn we allebei
in het gelijk of allebei in het ongelijk? Als jij en ik dat samen
niet kunnen uitmaken, dan zullen anderen nog meer in het duister tasten.
Wie kan ik erbij roepen om dit recht te zetten? Stel ik haal iemand
erbij om het recht te zetten die het met jou eens is. Gezien het feit
dat hij het me je eens is, hoe kan hij het dan rechtzetten? Stel dat
ik iemand erbij haal die het eens is met mij. Omdat hij het al eens
is met mij, hoe kan hij dan tussen ons beslissen? Zullen we dan iemand
erbij roepen die het zowel met jou als met mij oneens is, hoe kan
hij tussen ons arbitreren? En mochten we iemand laten komen die het
met ons beiden eens is, hoe zou hij dan, juist omdat hij het zowel
met jou als met mij eens is, de zaak kunnen berechten? Dus, als noch
jij noch ik noch enig ander dit onder ons kan uitmaken, op wat voor
ander zullen we dan nog wachten?