zet het blauw van de zee
tegen het blauw van de hemel
veeg er het wit van een zeil in
en de wind steekt op
Is dit gedicht hetzelfde als onderstaand gedicht?
zet het blauw
van de zee
tegen het
blauw van
de hemel veeg
er het wit
van een zeil
in en de
wind steekt op
Ja, ben je geneigd te zeggen. Zo op het eerste gezicht
verschilt het ene niet van het andere. Beide bevatten precies dezelfde
woorden. Beide hebben dus dezelfde inhoud. Ze geven heel mooi weer
hoe een schilder met een minimum aan middelen de prachtigste effecten
kan bereiken. Drie kleuren en een veeg met de kwast, meer heeft hij
niet nodig. Volgens de dichter kan een schilder het zelfs bijna letterlijk
laten waaien in zijn schilderij. Wat het verschil tussen de twee versies
betreft, zou je hoogstens kunnen zeggen dat ze van elkaar afwijken
in de vorm. En dan uitsluitend in de vorm van de regels. De eerste
versie oogt door zijn langere regels horizontaler dan de tweede versie,
die meer 'staat' dan 'ligt'.
Equivalente positie
Toch zit je er met die eerste indruk naast. Bij nadere inspectie verschillen
beide versies van hetzelfde gedicht wel degelijk hemelsbreed van elkaar.
Het gebruik in versie 2 van telkens drie woorden per regel - met uitzondering
van de regels 2 en 3 - is namelijk verre van willekeurig en toont
aan dat de vorm van een gedicht grote invloed kan hebben op de betekenis.
In dit geval maakt de vorm zelfs dat versie 2 van een heel ander kaliber
is dan versie 1. Dat komt door de toepassing van het similariteitsprincipe,
zoals W. Bronzwaer dat beschrijft in zijn boek Lessen in lyriek.
Volgens dat principe krijgen twee woorden die in een gedicht op verschillende
maar overeenkomstige plaatsen staan, louter door die overeenkomstige
positie ook een overeenkomstige betekenis. In chiquere, literatuurwetenschappelijke
termen heet het dat 'een syntactisch equivalente positie woorden dwingt
in een semantische similariteitsrelatie'.
Kijk naar de tweede, authentieke versie van dit gedicht,
dat is geschreven door Willem Hussem. Daarin staan de woorden 'zee'
en 'blauw' beide aan het eind van de twee eerste opeenvolgende regels.
Ze nemen dus eenzelfde positie in, en dat maakt de zee identiek aan
het blauw. 'Zee = blauw' lijken deze regels te zeggen. En daarmee
is de zee van deze versie ook veel blauwer dan de zee in de eerste
versie. Daarin zijn de beide woorden veel willekeuriger en zonder
visueel verband door de regels gestrooid. Twee regels verder treedt
hetzelfde effect op. Daar nemen de woorden 'hemel' en 'blauw' overeenkomstige
posities in, waardoor ook zij synoniemen worden. Een blauwere hemel
is dankzij deze equivalente positionering niet denkbaar. En tenslotte
zorgen de woorden 'wit' en 'zeil' enkele regels verderop voor de derde
maal in het gedicht voor een similariteitsrelatie. Hierdoor straalt
het zeil blinkend wit van het doek af en waait spontaan de wind .
Inhoud als icoon van betekenis
De tweede formule waaraan dit gedicht van Hussem zijn beeldende kracht
ontleent, heeft een nauwe verwantschap met de eerste. Als je zegt
dat overeenkomstige posities van woorden mede de inhoud van een gedicht
bepalen, dan volgt daaruit dat de vorm invloed heeft op de betekenis.
Ofwel, wederom in literatuurwetenschappelijke termen: 'de vorm is
een icoon van de betekenis' - eigenlijk net zoals een fiets op een
verkeersbord dichter bij de reële fiets staat dan het woord 'fiets'
en daarmee een icoon is van die echte, tastbare fiets. Deze meer algemene
tweede formule komt tot uitdrukking in twee aspecten van het gedicht.
Allereerst in de plaatsing van de zee (in de woorden 'blauw' en 'zee')
rechts, aan het eind van de regels 1 en 2, en recht daartegenover
de plaatsing van de hemel (in de woorden 'blauw' en 'de hemel') links
aan het begin van de regels 4 en 5. Alsof de dichter, net als de schilder,
het ene element 'zet tegen' het andere element. Tot slot uit het icoonprincipe
zich in de smalle, verticale vorm van het gedicht. Kijk ernaar en
je ziet tussen de blauwe zee en de blauwe hemel de opstaande streep
en de bolling van het witte zeil.
Dubbel effect
Wat bereikt de dichter uiteindelijk met de toepassing van deze twee
formules? Een dubbel effect. Allereerst verwoordt hij het vermogen
van de schilderkunst om met een minimum aan middelen een wonder te
verrichten. Doek, verf en kwast scheppen immers een werkelijkheid
die het kunstmatige overstijgt en uitgroeit tot reële werkelijkheid.
We voelen de wind. We horen het klotsen van de golven. Letterlijk........
bijna. Maar misschien is deze ode aan de schilderkunst in feite slechts
een bijeffect van het gedicht. Een effect dat aan de oppervlakte ligt
en het eerst in het oog springt. Toont het gedicht niet eerder aan
waartoe de poëzie in staat is? Want zij is het toch die met dit gedicht
de druppels zout water in ons gezicht doet waaien? Zelfs zonder tastbare
middelen als doek, verf en kwast. Alleen met het woord.
0-0-0