Als ik iets wil gaan doen,
moet ik dan al opgestaan zijn
om het te willen gaan doen;
of moest ik het al gedaan
willen hebben: om zó op
te kunnen staan, dat ik
het had moeten doen;
en zodoende het spoor
bijster geraakt zijnde,
deed zoals het zich gedaan
wilde zijn, sans rancune:
ofschoon er niets was gebeurd,
en ik niet afwezig wilde zijn,
omdat ik mij zo niet kende,
toen het stond te gebeuren.
Hans Faverey
Wat komt eerst? De wil om iets te doen of het doen zelf? Het doen,
zegt Hans Faverey. Nog voordat we iets willen, zijn we begonnen het
te doen. Eerst is er de impuls en dan pas het wilsbesluit om te handelen.
In het gedicht presenteert Faverey zijn visie in de vorm van een vraag.
Maar het is een retorische vraag. Het antwoord geeft hij al in de
titel.
Faverey's antwoord gaat regelrecht in tegen ons gevoel dat aan veel
van onze daden een bewuste beslissing vooraf gaat. Dat we in veel
situaties een keuze maken en als autonoom individu bij volle bewustzijn
en uit vrije wil besluiten waarheen we met vakantie gaan, welk beroep
we kiezen en met welke levenspartner we in zee gaan. Eerst is er immers
de wil, dan volgt het doen. De wil is de oorzaak van ons doen. Zo
beleven we dat in ons dagelijks doen en laten. En de suggestie van
het tegenovergestelde geldt hoogstens voor zulke futiele, half bewust
en half onbewuste acties als het opstaan uit een stoel.
Toeval of noodzaak
Wel, dat is dus maar de vraag. Want hoe werkt dat willen nou eigenlijk,
bijvoorbeeld bij de keuze van een vakantiebestemming, een partner
of een beroep? Stel, we maken zulke keuzes geheel uit vrije wil. Voorwaarde
is dan dat niemand of niets ons dwingt. Dat de wilsuitingen helemaal
oorspronkelijk uit het bewuste willen zelf voortkomen zonder oorzaak
die noodzakelijkerwijs tot dat willen leidt. Dat we bij het wilsbesluit
ook geheel vrij hadden kunnen kiezen voor het tegenovergestelde. Als
ik - in deze trant doorredenerend - musicus wil worden, ga ik naar
het conservatorium. Als het beroep van econoom me aantrekkelijker
lijkt, dan kies ik voor een studie economie. Niemand of niets dwingt
mij om het een of het ander te willen of niet te willen. Ik kies met
mijn vrije wil.
Als onze keuzes werkelijk zo vrij zijn en dus onafhankelijk van oorzaken
die hen noodzakelijk maken, dan moeten ze een kwestie van toeval zijn.
Wat niet noodzakelijk is omdat het geen oorzaak heeft, kan alleen
bij toeval tot stand komen. Als niemand of niets mij er toe dwingt
op dit moment deze regels te schrijven, dan schrijf ik nu volkomen
bij toeval deze regels. Dan had ik ook volkomen bij toeval boodschappen
kunnen doen. Maar als ik niet bij toeval zit te schrijven, dan is
er iemand of iets, een oorzaak, die mij ertoe brengt - die mij noodzaakt
- dat te doen.
Wensen en begeerten
Nu zet op dit moment niemand mij het mes op de keel. En er is ook
niemand die mij chanteert om dit te schrijven. Mijn schrijven is dus
toeval? Nou nee, het is eerder een gevolg van een aandrang om iets
voor mezelf helder te krijgen door het op te schrijven. Van een streven,
wellicht, om anderen te overtuigen. Of misschien wel van een behoefte
de buitenwereld te laten zien dat ik niet van de straat ben, wel eens
nadenk en een boek lees. Waarschijnlijk zijn het wel al deze oorzaken
tegelijk met nog andere wensen, begeerten, verlangens of anders afkeren,
angsten en verslavingen waarvan ik me even geen voorstelling kan maken,
die mij beletten nu iets 'nuttigers' te doen. Het huis te schilderen.
Het onkruid in de tuin te wieden. Een medemens in nood bij te staan.
En waar komt dat gevoel, die aandrang, dat streven of die behoefte
dan vandaan? Welke oorzaak ligt daaraan ten grondslag? Tja. Een ambitie
misschien. Wellicht een frustratie. Of wie weet een onvermogen de
dingen te nemen zoals ze lijken. Maar waar komen die ambitie, die
frustratie en dat onvermogen dan vandaan? Waarin vinden zij hun oorzaak?
Ketens van oorzaken
Laten we hier maar stoppen. Doorgaan met gissen naar de volgende schakel
verder terug in de keten van oorzaken heeft weinig zin. Aan elke schakel
of oorzaak gaat wel weer een andere vooraf. Als je er even bij stil
staat, blijkt de keten via persoonlijke, familiale, zakelijke, economische,
culturele, nationale en historische invloeden onontwarbaar en oneindig
ver terug te gaan. Soortgelijke reeksen van oorzaken, ofwel series
van opeenvolgende noodzakelijkheden, kun je bedenken voor alles wat
is en alles wat gebeurt. Of hebben we hier toch eerder te maken met
series van toevalligheden, want het samenkomen van al die oorzaken
is toch grotendeels een kwestie van puur toeval?
Kop en munt
De moeder van Glen Gould zette haar zoon, toen hij vier jaar was,
achter de piano en gaf hem elke dag les. Ze speelde zelf heel verdienstelijk,
maar had tot haar spijt een carière als concertpianist gemist. Ze
koesterde de ambitie haar zoon wel het podium te laten bereiken. In
die opzet slaagde ze half. Zoon Glen werd een wereldberoemd Bachvertolker,
dat wel, maar niet als concertpianist. Hij schuwde het publieke optreden
en excelleerde in zijn tijd alleen op de langspeelplaat.
Achteraf kun je zeggen dat Glen Gould zelf een groot pianist wilde
worden. Dat is waar. Maar zonder de brandende ambitie van zijn moeder
had dat willen zich bij hem mogelijk niet voorgedaan. En zonder de
frustratie dat zij zelf niet op het concertpodium speelde, had zij
die brandende ambitie mogelijk niet gekoesterd. Zonder zijn eigen
perfectionisme en doorzettingsvermogen had de zoon zijn zeldzame virtuositeit
niet kunnen ontwikkelen. Als zijn schuwheid hem niet afkerig had gemaakt
van optreden in het openbaar, was hij meer dan een beroemd studiopianist
geweest. Glen Goulds meesterschap kende een groot aantal oorzaken,
net als zijn beperkingen. Het had ook gemakkelijk heel anders kunnen
lopen. Van jongs af aan dag in dag uit pianospelen onder streng toezicht
van de moeder had de zoon een blijvende afkeer van de piano kunnen
bezorgen. Uit opstandigheid, al dan niet aangevuld door de lessen
van een inspirerende leraar economie, had bij hem de wil kunnen opkomen
econoom te worden. Dus is het muzicale meesterschap van Glen Glould
nu een kwestie van toeval of van noodzaak? Van alle twee eigenlijk.
Toeval en noodzaak blijken, behalve aan elkaar tegengesteld, ook altijd
aan elkaar complementair te zijn, als kop en munt van dezelfde euro.
Ze werken gelijktijdig in alle verschijnselen, dus ook in het willen.
Als we een verschijnsel namelijk bekijken in relatie tot zijn oorzaken,
dan is het noodzakelijk: alles heeft een oorzaak en is daarmee noodzakelijk
wat het is. Als we hetzelfde verschijnsel bekijken in zijn relatie
tot alle overige verschijnselen, dan is het toevallig: alles valt
in plaats en tijd willekeurig samen met andere verschijnselen. Een
passend woord voor die gelijktijdige en gelijkplaatselijke werking
van toeval en noodzaak, is 'contingentie'.
Toeval + noodzaak = contingentie
Het begrip contingentie is afkomstig uit de middeleeuwse wijsbegeerte.
Het kreeg sinds zijn ontstaan een lading met een steeds wisselende
rol voor de onderliggende begrippen toeval en noodzaak. In de context
van het bovenstaande valt contingentie aldus te definiëren:
Elk verschijnsel, elk ding, elk wezen markeert het tijdelijk eindpunt
van talloze reeksen voorvallen die alle bij toeval samenkomen en in
hun knooppunt een oorzaak creëren. Deze oorzaak is een noodzaak die
niet tevoren is gedetermineerd, maar die wel - in principe - achteraf
determineerbaar is.
In deze omschrijving is elke oorzaak een noodzaak die bij toeval
ontstaat. Dat wil zeggen, er is niets of niemand die haar vooraf bepaalt.
We zouden hoogstens achteraf haar ontstaansgeschiedenis kunnen ontrafelen
als we alle details konden achterhalen. Maar dat laatste is in feite
onmogelijk, daarvoor zijn die details te talrijk. Tegelijk is een
ontstane oorzaak/noodzaak op haar beurt één van de talloze oorzaken/noodzaken
die toevallig met talloze andere oorzaken/noodzaken samenkomen en
in een nieuw knooppunt weer een volgende oorzaak/noodzaak scheppen.
Zo is alles contingent. Alles vormt een plek waar het toeval aankomt
en als noodzaak verder reist. Dat geldt ook voor onszelf, voor onze
wilsuitingen en voor elk van onze daden. Dat is dus ook het geval
bij Glen Goulds wil om pianist te worden. En bij zijn moeders ambitie
om van hem een groot musicus te maken. Van ons willen worden we ons
slechts achteraf bewust. Ondanks ons gevoel van vrije wilsbeschikking
kunnen we alleen bij terugblik bevestigen wat we, gedreven door toeval
en noodzaak, al begonnen waren te doen.
'Ik
kan doen wat ik wil'