Op een dag maken de wijsgeer Confucius en zijn volgelingen
een wandeling bij een waterval die van honderdvijftig meter hoogte naar
beneden stort. Het schuim drijft over een afstand van zestig kilometer
voort. Geen schildpad, vis of krokodil kan zich in de kolkende massa
handhaven. Dan ziet het gezelschap tot zijn verbijstering een oude man
rondzwemmen in het kolkende water. Het kan niet anders of hij verkeert
in doodsnood. De wijsgeer stuurt zijn volgelingen erop af om hem te
redden. Toen ze dichterbij kwamen, liep de man alweer zingend op de
kant. Zijn haar hing los en hij genoot van de prachtige omgeving. Confucius
sprak hem aan, en zei: "Ik zag u voor een geest aan, maar nu zie ik
dat u een mens bent. Mag ik vragen: hebt u soms een bijzondere truc
om door dit woeste water te gaan?" De man antwoordde: "Nee, een bijzondere
kunstgreep heb ik niet. Maar ik begon het te leren op jeugdige leeftijd
en toen ik opgroeide, werd het mijn tweede natuur. Nu is de goede afloop
zo zeker als het lot. Ik ga erin en met het water omlaag tot aan het
middelpunt van de draaikolk. Ik kom weer boven als het de andere kant
uitdraait. Ik volg de loop van het water en doe niets uit mijzelf dat
daar tegeningaat. Aldus is de manier waarop ik er doorheen kom."
... en doe niets dat daar tegeningaat.
In dit verhaal van Zhuang Zi is het onstuimige water een metafoor
voor de woelingen van het leven. De manier waarop de oude man zich
in het water beweegt, staat voor een levenshouding: hij weet de wispelturigheden
van het leven spontaan en op volmaakte wijze te volgen.
Het taoïstische ideaal houdt in dat de mens zich zowel individueel
als collectief volledig aanpast aan de wet van eeuwige verandering;
aan de spontaniteit van de natuurlijke processen. Hij moet afstand
doen van al het bewust willen en handelen, in de zin van krampachtig
doelen nastreven, want
Forceren leidt tot verlies van krachten.
Dit is niet de weg van Tao.
Lao Zi
Wu Wei, ofwel niet-bewust-handelen, speelt een belangrijke
rol in de geschriften van Lao Zi en Zhuang Zi. Dit begrip wordt vaak
vertaald met niets-doen, wat de indruk kan wekken dat taoïsten
louter uit zijn op een leven van gelukzalige indolentie. In werkelijkheid
koesteren zij helemaal geen afkeer van activiteit, mits daar geen
forceren aan te pas komt. Zhuang Zi vertelt talloze verhalen van ambachtslieden
die talent combineren met veel oefening. Ze zijn daardoor zo bedreven
dat ze hun vak kunnen uitvoeren zonder nadenken en 'zonder iets te
doen'. Zo toont Zhuang Zi veel bewondering voor een kok genaamd Ding,
die met grote concentratie een rund in stukken snijdt. Dankzij z'n
ambachtelijkheid en volledige beheersing van de techniek is hij de
beste in slachten en ontleden. Hij volgt de natuurlijke structuur
van het beest. Alles gaat snel en vlot, tot hij op harde delen stuit.
Dan vertraagt hij zijn tempo en volgt hij voorzichtig de ruimten tussen
de botten en gewrichten.
"Elke keer als ik op een ingewikkeld punt stoot en zie dat
het moeilijk wordt, houd ik me voorzichtig in. Ik kijk er strak naar
en ga langzaam te werk. Heel zachtjes beweeg ik mijn mes."