Zowel de filosofie als de poëzie probeert een vinger te krijgen achter
de werkelijkheid. De filosofie doet dat door expliciet Grote Vragen
te stellen. Wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen? Vragen
over de grenzen van onze kennis, de bronnen van onze moraal en de zin
van ons bestaan.
De afgelopen 2500 jaar hebben talloze filosofen op die vragen hun tanden
stukgebeten met als resultaat evenzovele antwoorden. De mensheid is
er nog steeds niet uit en zal er wel nooit uitkomen. Volgens Ludwig
Wittgenstein komt dat door de ontoereikendheid van de taal. Door het
gebruik van steeds dezelfde misleidende woorden blijven we ons blind
staren op steeds dezelfde schijnproblemen. Hij trok daaruit de conclusie
dat de meeste filosofische vragen zinloos zijn. We kunnen ze voortaan
maar beter negeren, zo meende hij. De laatste stelling uit zijn Tractatus
Logico-Philosophicus luidt: "Waarvan men niet spreken kan, daarover
moet men zwijgen". Mooi gezegd, maar niet echt bevredigend denken we
dan, volhardend als we zijn. Het bloed kruipt immers waar het niet gaan
kan. De grote vragen blijven knagen. Een fraai dilemma. Is er dan echt
geen uitweg? Misschien wel. Misschien kunnen we terecht bij de poëzie.