Wabi-sabi
Dit gedicht 'l(a' van e.e. cummings wordt gezien als één
van de beste 'moderne' Engelstalige haiku. Dat komt omdat
de dichter op originele wijze een procédé toepast dat heel
dicht in de buurt komt van de techniek die Japanse haikudichters
gebruiken. Allereerst is daar de beknoptheid van een complete
observatie in slechts enkele lettergrepen. Bovendien is
die observatie vervat in een concreet beeld. Verder verwijst
het gedicht naar één van de jaargetijden, iets wat een haiku
vrijwel altijd doet, impliciet of expliciet. Gesteund door
deze elementen geeft het beeld van het vallende herfstblad
het gedicht ook een sfeer die in de Japanse literaire traditie
bekend staat als wabi-sabi.
Het begrip wabi staat voor de pretentieloze schoonheid
en waarheid van het eenvoudige. Het verwijst naar de bekoring
van het onvolmaakte, van alles wat gladde perfectie mist.
Wabi is wat waarde heeft omdat het weerloos is, om
met Lucebert te spreken. Een veel gebruikte theepot met
een deuk. Een vogel in een dode boom. En, ja, een herfstblad
dat omlaag dwarrelt van een boomtak.
Het tweede woorddeel - sabi - betekent letterlijk
'roest' en verwijst naar zaken die zijn getekend door het
patina van de tijd. Daarmee suggereert dit begrip een sfeer
van eenzaamheid, het is immers de tijd die in zijn voortgang
de dingen van elkaar scheidt. Maar deze eenzaamheid heeft
de dubbele betekenis van alleen-zijn en van één-zijn, dat
wil zeggen van een(zaam)heid met het tijdloze dat zich in
het tijdelijke manifesteert.
De woorden wabi en sabi geven samen uitdrukking
aan een gevoel voor de schoonheid van het simpele, onooglijke,
onvolmaakte, verweerde en verwaarloosde dat meestal over
het hoofd wordt gezien. Wabi-sabi staat diametraal
tegenover de wereld van glamour, hype en beleveniseconomie.
wit boomskelet -
in top vlagt een aalscholver
voor de ochtendbries
Deze haiku is wabi-sabi door het onopgesmukte beeld
van de solitaire witte boom met de even solitaire zwarte
vogel. Beide kleuren - zwart en wit - horen bij de dood,
net als het beeld van de kale afgestorven takken. De zwartgejaste
aalscholver doet ook denken aan een doodgraver. Dit korte
gedicht voldoet nog aan een ander haikucriterium. De eerste
en de derde regel bevatten twee contrasterende beelden.
De tweede regel bereidt deze tegenstelling voor. Zo wordt
hier de dood in de eerste regel, via bemiddeling van de
optimistisch vlaggende vogel in de tweede regel, gevolgd
door de ochtendbries: een verschijnsel dat duidt op het
begin van de dag, op de aanvang van nieuw leven na de donkere
nacht. De derde regel zet de hele scène in een ander perspectief.
Daarnaast bevat deze regel een 'seizoenwoord': het woord
'bries' wordt in de Japanse haikutraditie geassocieerd met
de vroege zomer. Met zo'n woord verwijzen naar het cyclische
verloop van het jaar en het leven is ook een kenmerk van
haiku.
Direct wijzen
Een rechtstreekse weergave van de werkelijkheid. Direct
wijzen zonder de bemiddeling van begrippen, zonder de begoocheling
van abstracties, projecties en concepten. Dat is wat haiku
probeert te bereiken. Ze doet dat met minimaal woordgebruik
en maximale beeldkracht. Haiku geeft geen mening, poneert
geen stelling, analyseert niet, argumenteert niet. Er is
geen sprake van expliciete gevoelsuitstorting. Haiku vertelt
niet wat de lezer moet denken en voelen. Ze verbindt in
een momentopname de natuurlijke realiteit met de menselijke
ervaring. Via een concreet beeld presenteert haiku 'het
ding' zoals het is in al zijn 'zo-zijn'. Met andere woorden:
haiku onthult de werkelijkheid of waarheid van de natuur.
'Natuur' dan als verzameling van levende wezens en levenloze
dingen én als het wezen of de aard van de verschijnselen.
Het beeld dat haiku schept, is vaak net zo simpel als de
gebeurtenis die ze beschrijft. Door deze eenvoud lijken
haiku op het eerste gezicht vaak open deuren, nietszeggend,
incompleet. Roepen ze de reactie op 'Nou en, is dat alles?'
Bij nader inzicht blijken ze dikwijls vol suggestie. Duiden
ze op een diep intuïtief begrip van de eenheid der dingen,
van de verbondenheid tussen binnen- en buitenwereld, tussen
de waarnemer en het waargenomene, tussen het individu (het
subject) en het andere (het object).
Zen
Haiku past naadloos in de traditie van Zen. Deze geestesrichting
probeert te reiken voorbij de woorden en begrippen die ons
wereldbeeld bepalen. Ze doet dat vanuit de opvatting dat
de werkelijkheid niet in woorden en begrippen te vangen
is. Die vertroebelen de werkelijkheid door betekenissen
vast te leggen en verandering te negeren. De rivier van
vandaag is niet de rivier van morgen waardoor ander water
stroomt. De persoon die vandaag mijn naam draagt, is een
andere dan de persoon die dat morgen doet. Nieuwe indrukken
en gebeurtenissen laten immers hun sporen achter in mijn
persoonlijkheid. Ook benadrukken woorden en begrippen verschillen
en verbloemen ze overeenkomsten. Leven en dood hebben meer
gemeen dan de aparte woorden suggereren. Hetzelfde geldt
voor verstand en gevoel, voor goed en kwaad, voor mooi en
lelijk. Woorden en begrippen zijn namen die benoemen wat
in feite niet bestaat. Ze scheppen een fictieve wereld bevolkt
door conceptuele schimmen. Bedenk een woord als 'ziel',
'god' of 'natuur'
en zo'n begrip krijgt meteen een aura van werkelijkheid.
Woorden zijn illusies, aldus Zen. De werkelijkheid schuilt
- buiten de woorden - in de verschijnselen zelf. Die vertellen
dat niets op zichzelf staat en dat niets een eeuwig gefixeerd
zelf heeft. Integendeel, alles is vergankelijk en verandert
constant in wederzijdse afhankelijkheid. Vanuit dat perspectief
richt de Zen-beoefenaar zich op het tastbare ding, op de
individuele gebeurtenis en daarmee op de werkelijkheid van
het ogenblik, op het hier-en-nu. Hij doet dat in het volle
besef dat dit tijdelijke een manifestatie is van het tijdloze.
Zo houdt hij een open oog voor het eeuwige in het tijdelijke,
het universele in het individuele, het bijzondere in het
alledaagse. Haiku doet verslag van deze wijze van kijken
en tegelijkertijd scherpt ze dit kijken aan. Dat gebeurt
met woorden, inderdaad, maar met woorden die verwijzen naar
concrete dingen, en wel zo dat ze daarin bijna oplossen.
Voor abstracties is geen plaats. Daarmee toont haiku
de dingen in plaats van ze te beschrijven. Het effect
is een gevoel van verwondering. Niet over het 'waarom' van
de werkelijkheid, maar over het 'dat' van de werkelijkheid.
Haiku analyseert niet, maar constateert. Haiku heeft op
ons eenzelfde effect als de gladde kiezel, de kleurige schelp
of de knoestige tak waarover een kind zich kan verwonderen.
Poëzie in één adem
Traditioneel telt een haiku drie niet-rijmende regels van
respectievelijk vijf, zeven en vijf lettergroepen, net zoals
in het aalscholvergedicht hierboven. Ook het gedachtestreepje
(scheidingsteken of kireji in het Japans) dat in
deze haiku dienst doet als adem- of denkpauze, geldt als
lettergreep. Dichters van moderne haiku wijken daar vaak
vanaf. In het Engelse taalgebied bestaat de consensus dat
strikt vasthouden aan het 5/7/5-stramien vaak leidt tot
een gewrongen eindproduct. Een moderne westerse taal steekt
nu eenmaal anders in elkaar dan het Japans. Het belangrijkste
criterium voor de lengte van een haiku is dat het gedicht
vloeiend in één adem is uit te spreken. Daarbij dient de
tweede regel langer te zijn dan de regels één en drie. Die
eerste en derde regel vormen bij voorkeur een tegenstelling
met elkaar. Gelegd langs deze meetlat, is het gedicht van
e. e. cummings geen zuivere haiku. Daarvoor wijkt de vorm
te zeer af. Ook gebruikt de dichter expliciet een abstract
woord om een gevoel uit te drukken. Het woord 'l(one)liness'
of 'een(zaam)heid' zul je in een 'echte' haiku niet tegenkomen.
Haiku zegt niet eenzaamheid door een abstract begrip
te gebruiken, maar toont eenzaamheid via een concreet
beeld. Geen haiku dus in de strikte zin van woord, dat 'l(a',
maar wel een gedicht dat is beladen met wabi-sabi.
Hetzelfde geldt natuurlijk voor menig ander gedicht dat
niet voldoet aan de formele haiku-regels. De beleving van
de werkelijkheid die ten grondslag ligt aan haiku, is universeel.
Zie bijvoorbeeld de volgende regels van de Deense dichteres
Tove Meyer (1913-1972):
ik ben een balling -
maar als de vogelwig
in de blauwzwarte lentenacht
krijsend langs de hemel trekt
is het of mij een boodschap bereikt
uit mijn echte vaderland
Duidelijk geen haiku. Althans niet qua lengte en zinsbouw.
En ook niet door de expliciete verwijzing naar een subject
(de waarnemer) in de woorden 'ik' en 'mijn', iets wat haikudichters
doorgaans vermijden. Aan de andere kant is dit gedicht wel
degelijk haiku door elementen als het eenvoudige natuurtafereel,
de verwijzing naar een seizoen en het element van een(zaam)heid.
De ik in het gedicht geeft uitdrukking aan haar gevoel van
alleen-zijn. Ze is een balling in de figuurlijke zin dat
ze buiten de gewone mensenwereld staat. Tegelijkertijd,
en juist door dat isolement, voelt en weet ze zich één met
iets dat die mensenwereld overstijgt. Het zijn de overvliegende
ganzen die de vonk van dit voelen/weten doen overslaan.
Zo deelt Tove Meyer een fundamentele ervaring met de haikudichter,
maar ze geeft die ervaring anders vorm. De werking of het
'mechaniek' van haiku laat zich aardig illustreren als we
ditzelfde gedicht - met behoud van de essentie - strippen
tot een haiku. Die zou er zo kunnen uitzien:
vogelwig krijsend
in de blauwzwarte lentenacht
ver van huis