Deep ecology en shallow ecology
zijn slechts twee van de vele mogelijke
perspectieven op de relatie tussen mens
en natuur. De Nederlandse milieufilosoof
Wim Zweers heeft geprobeerd al die perspectieven
onder te brengen in zes categorieën of grondhoudingen,
zoals hij ze noemt: die van despoot, verlicht
heerser, rentmeester, partner, participant
en natuurmysticus. Elke grondhouding kenmerkt
zich door eigen fundamentele opvattingen
en waarden die bepalend zijn voor de omgang
met de natuur en - daarmee samenhangend
- voor de visie op de relatie tussen mens
en technologie en tussen mens en economie.
Zweers benadrukt dat de grondhoudingen zijn bedoeld als 'ideaaltypische
reconstructies'. Het zijn typeringen waaraan niemand een-op-een
voldoet. Vrijwel niemand is uitsluitend 'despoot' of 'participant'.
Concreet gedrag vertoont doorgaans een mengeling van aan elkaar
grenzende grondhoudingen.
Despoot
De eerste grondhouding, die van de despoot, kenmerkt zich door de
overtuiging dat de natuur alleen bestaat voor de mens. De despoot
is de absolute heerser die het niet-menselijke aan zich onderwerpt
en ermee kan doen wat hij wil. Beperkingen van morele aard bestaan
niet, want planten, dieren en ecosystemen zijn in moreel opzicht
niet relevant. Alles draait om de mens, het enige wezen dat waarde
heeft op zichzelf. We kunnen de natuur tot eigen voordeel omvormen.
Door middel van wetenschap en techniek zijn we in staat een tweede
natuur te scheppen.
Deze despotische houding kwam tot volle wasdom met de opkomst van
het moderne westerse wereldbeeld in de zeventiende eeuw. Typerend
voor dat wereldbeeld is het geloof in de maakbaarheid van onze omgeving
en het vertrouwen in de onbeperkte mogelijkheden van wetenschap
en technologie. Dit optimisme ligt ten grondslag aan de nog altijd
dominante ideologie van economisch-technische ontwikkeling, groei
en vooruitgang.
Verlicht heerser
Ook de verlicht heerser regeert over de natuur, maar dan wel in
het besef dat de mens van die natuur afhankelijk is, dat natuurlijke
hulpbronnen eindig zijn en dat ecosystemen een beperkte draagkracht
hebben. Tegelijk bestaat het besef dat we met onze technologie niet
de hele wereld naar onze hand kunnen zetten. Maar waar dat wel mogelijk
is, moeten we dat vooral niet laten. De natuur is niet af. De mens
kan er iets beters van maken. Hij heeft dan ook het recht met zijn
innoverende technologie - waaronder genetische manipulatie - in
te grijpen in natuurlijke processen. Op die manier kan hij de natuur
'verrijken' en beter bruikbaar maken voor zijn eigen doeleinden.
In die visie is ook een cultuurlandschap van groter waarde dan wilde,
onbewerkte natuur. En een bos kappen om plaats te maken voor een
industrieterrein is geoorloofd, als dat maar wordt gecompenseerd
met 'ecologische herinrichting', dat wil zeggen het scheppen van
'nieuwe natuur' op een andere plaats.
Het gaat hier dus nog steeds om een instrumentele benadering van
de natuur. Alleen ontbreken de al te scherpe kantjes. De grotere
voorzichtigheid in de omgang met de natuur is ingegeven door eigenbelang.
Ze houdt de wereld geschikt voor menselijke bewoning en gebruik:
het streven van shallow ecology.
Rentmeester
Een rentmeester beheert iets - een landgoed of een kapitaal - namens
de eigenaar daarvan. Hij mag gebruikmaken van de opbrengst of de
rente, maar mag niet interen op het bezit dat niet van hem is. Een
rentmeester is aan de eigenaar verantwoording verschuldigd. In het
geval van de natuur moet een christen aan God verantwoording afleggen
voor een goed beheer van diens schepping. Hij mag daarover niet
eigenmachtig heersen of er naar believen mee omspringen. In de niet-christelijke
variant ligt het accent op het verstandig beheer van de natuurlijke
hulpbronnen. De mens heeft het vruchtgebruik. Aan het kapitaal mag
hij niet komen, omdat anders niets overblijft waarvan toekomstige
generaties rente kunnen trekken.
De rentmeester is dus verantwoording verschuldigd aan een hogere
macht: God of de (toekomstige) mensheid. Dat kan een belangrijke,
beperkende uitwerking hebben op het gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
Maar deze houding blijft onveranderd instrumenteel gericht, namelijk
op het nut van de natuur voor de mens.
Partner
Kenmerk van de voorgaande drie grondhoudingen is de hiërarchische
relatie tussen de mens en de natuur. De eerste staat boven de tweede,
als heerser of minimaal als beheerder. De menselijke behoeftes vormen
het uitgangspunt. In de grondhouding van de partner daarentegen
zijn de 'behoeftes' van de natuur gelijkwaardig aan die van de mens.
Het denken en handelen krijgt naast mensgerichte ook natuurgerichte
doelstellingen. Tussen die twee bestaat evenwicht, harmonie. De
doelstellingen van menselijke systemen zijn de vervulling van behoeftes
als voeding, behuizing en mobiliteit. Daarvoor is de natuur onmisbaar.
De doelstellingen van de natuur zijn zelfordening, zelfhandhaving
en autonomie. Milieufilosofen definiëren natuur vaak als dat wat
zichzelf ordent en handhaaft, als het verschijnsel dat organismen
zich rangschikken alsof er een doel is, terwijl niemand dit dicteert.
Onder autonomie verstaan ze dan de mogelijkheid zich te ontwikkelen
in overeenstemming met de eigen aanleg.
Mens en natuur zijn partners van elkaar. Deze gedachte kan alleen
bestaan als de natuur niet langer wordt beschouwd als een louter
materieel gegeven met uitsluitend instrumentele waarde. Daarom wijst
deze grondhouding aan de natuur, net als aan de mens, een eigen,
intrinsieke waarde toe. De mens moet de voorwaarden scheppen waarbinnen
de natuur die waarde zo goed mogelijk kan ontwikkelen. Daarbij past
een natuurbeleid met een maximalisering van natuurwaarden door een
minimalisering van menselijk ingrijpen. De mens moet de natuur zoveel
mogelijk met rust laten en beschermen, onder meer door het creëren
van reservaten waar de mens niets te zoeken heeft.
Participant
De voorgaande grondhouding van de partner voegt aan de houding
tot de natuur het element toe van een zelfstandige, intrinsieke
waarde van de niet-menselijke organismen. Maar daarbij blijft de
natuur op afstand. Als partner zorgt de mens wel voor de natuur,
maar blijft hij er in wezen zelf buiten staan. De participant heft
deze afstand op. Hij voegt aan de erkenning van intrinsieke waarde
nog de ervaring van verbondenheid en verwevenheid toe. Daarmee zou
je de participant kunnen vergelijken met een theaterbezoeker die
tijdens een toneeluitvoering begint te merken dat het stuk alles
met hemzelf te maken heeft. Hij wil meedoen en dat kan, mits hij
zich gedraagt en zich schikt in zijn rol. Niet dat hij zichzelf
hoeft weg te cijferen. Nee, hij kan een belangrijke bijdrage leveren,
als hij het stuk maar niet naar zich toetrekt. Ondertussen beseft
de theaterbezoeker - inmiddels medespeler - dat het toneelstuk al
lang aan de gang was. Hij weet ook dat het doorgaat als hij eruit
stapt. Het stuk is voor zijn voortgang niet van hem afhankelijk
en wordt ook niet speciaal voor hem opgevoerd.
Net als de theaterbezoeker weet de participant dat hij deel uitmaakt
van een groter geheel. Allereerst in biologische zin, maar daarnaast
op wereldbeschouwelijk niveau, vanuit een ervaring van betekenisvolle
verbondenheid die mede zijn zelfbeeld bepaalt. De werkelijkheid
herschrijven ten eigen bate past niet in deze grondhouding, net
zomin als het scheppen van een volledig kunstmatige omgeving. De
participant legt zichzelf beperkingen op. Hij richt zijn wetenschap,
technologie en moraal niet op de verdere onderwerping van de natuur.
Deep ecology valt min of meer met deze grondhouding samen.
Natuurmysticus
De zesde grondhouding die Zweers beschrijft, noemt hij de unio mistica.
Hierbij gaat het om een directe, religieuze of aan het religieuze
verwante ervaring van 'eenheid met de natuur'. Er is sprake van
identificatie
met de natuur waarbij het subject (het ik of ego) wegvalt. Zweers
beschouwt dit perspectief als grensmogelijkheid, als een extreme
vorm van het participatiemodel die voor weinigen - "waarschijnlijk
alleen voor de natuurmysticus" - is weggelegd. De natuurmysticus
ervaart in de ons omgevende werkelijkheid een verschijningsvorm
van het goddelijke, waarmee hij zich wil verenigen. Dit goddelijke
betreft dan niet een transcendente, buiten de werkelijkheid staande
macht die vanuit een andere dimensie de wereld heeft geschapen en
sindsdien bestuurt. Veel eerder gaat het om een scheppend beginsel
dat in feite vormloos en onnoembaar is en immanent in de natuur
zelf aanwezig.
Tussen
pastorale en woestenij