Een man tegen zijn vader: "Ik wil een vijver aanleggen, net
als jij vroeger bij ons oude huis. Wat is de beste plek?"
Vader: "In een hoek van de tuin waar niet de hele dag de zon schijnt."
Man: "Waarom?"
Vader: "Anders wordt het water groen en krijgen de vissen te weinig
zuurstof."
Met deze aanwijzing van zijn vader gaat de man aan de slag. In
het tuincentrum koopt hij een plastic vijverbak, waterplanten
en vier mooie, levendige steuren. De bak graaft hij in op een
plek waar de zon halve dagen schijnt. Als hij de vijver heeft
gevuld met water, de planten en de levende have, is het afwachten
of alles aanslaat. In de weken daarna blijft het water mooi helder
en de vissen voelen zich ook duidelijk in hun element. Op een
dag verschijnen twee libellen en een pad die in deze nieuwe biotoop
hun domicili kiezen. Tussen het penningkruid, het vlotgras en
de slangewortel nestelen zich slakken en watervlooien. De man
beleeft veel plezier aan de vijver. Die toont zich elke dag en
op elk tijdstip anders. Met de wisselende schaduwen en schitteringen
in het water is de vijver nooit dezelfde vijver. De kleine waterplas
in de tuin lijkt te openbaren wat zonlicht is. Om de wuivende
waterplanten hangt een waas van geheimzinnigheid.
pH 9
Dan ontdekt de man op een dag dat het water groen begint te worden
en de vissen boven de waterspiegel naar lucht happen. Hier gaat
iets mis. Hoog tijd om een boekje over aanleg en onderhoud van
tuinvijvers te raadplegen. In het boekje staat dat de kwaliteit
van het water wordt bepaald door de zuurgraad, ofwel de pH-waarde.
Water met een pH-waarde lager dan 7 is zuur en dat is slecht voor
de vijverfauna. Water met een pH-waarde hoger dan 7 is alkalisch
en dat tast de vijverflora aan. Maar die hogere waarde is tegelijk
ook slecht voor de vijverfauna, omdat daardoor de hoeveelheid
CO2 toeneemt en de hoeveelheid O2
afneemt. De man besluit de aanwijzingen van het boekje
te volgen en koopt bij het tuincentrum teststaafjes om de zuurgraad
te meten. En inderdaad, de staafjes bevestigen dat het nogal schort
aan de waterkwaliteit. De pH-waarde is 9.
Imaginair of poëtisch
De man van de tuinvijver is de filosoof Hub Zwart. In zijn milieufilosofisch
opstel De vijver vertelt hij over bovenstaande ervaring
om het contrast te illustreren tussen twee totaal verschillende
wijzen om de werkelijkheid te ervaren. Voordat hij het boekje
over tuinvijvers las, vormden het water, de planten, de steuren,
de libellen, de watervlooien en het zonlicht één geheel. "Op zichzelf
beschouwd zouden ze hun betekenis verliezen," aldus Zwart. "De
pad die ergens bij de vijver zijn intrek nam, is niet zomaar een
pad, maar de pad van deze vijver. Licht is het licht dat op deze
vijver valt, de steuren zijn de steuren in deze vijver. Het zijn
heel andere vissen geworden dan de steuren die in het aquarium
van het tuincentrum zwommen. En de vijver is niet één van deze
dingen, het is evenmin de optelsom van deze dingen, maar het geheel
ervan, en dat geheel is aanzienlijk meer dan de som der delen."
Dit beeld van de vijver noemt Zwart het imaginaire perspectief.
Het is een wijze van beschouwen die berust op zintuiglijke indrukken
van concrete entiteiten, uitgedrukt in beelden. Het is de verbeelding
van de werkelijkheid zoals wij die ervaren in het leven van alledag.
Concreet, zintuiglijk - dat niet alleen - maar ook verhalend,
anekdotisch en gericht op samenhang. Deze werkelijkheid vinden
we bij uitstek verwoord in de poëzie.
Symbolisch of wetenschappelijk
Van dit imaginaire perspectief blijft in het boekje over tuinvijvers
niets over. In de tekst verschijnt een totaal andere vijver, een
vijver als een verzameling van meetwaarden, zonder licht, schaduw,
padden, libellen en watervlooien. De term 'groen' maakt plaats
voor de aanduiding 'kwaliteit', uitgedrukt in waarden als pH,
KH, GH. Deze waarden zijn afhankelijk van een beperkt aantal variabelen,
zoals licht, temperatuur en bodemgesteldheid. De steur is niet
langer een mooie sierlijk vis, maar een zuurstofverbruiker die
optimaal functioneert bij een pH-waarde van 7. De waterplanten
zijn van geheimzinnig wuivende schaduwen veranderd in zuurstofproducenten
waarvan het vermogen tot aanmaken van CO2
afhangt van de bacteriecultuur in het bodemsubstraat. De vissen
en planten functioneren ook als 'indicatoren van de waterkwaliteit'.
Ze zijn getransformeerd tot meetinstrumenten. Kortom, het boekje
reduceert de vijver tot een aantal waarden en factoren, uitgedrukt
in letters en getallen, dat wil zeggen in symbolen. Het beziet
het water, de dieren en de planten met een wetenschappelijke blik
die elk object van observatie uit zijn context haalt en het letterlijk
of figuurlijk in stukken snijdt om het te analyseren. In deze
symbolische beschrijving is van verwondering over de samenhang
van alle afzonderlijke elementen geen sprake. De vijver verandert
in een netwerk van symbolen.
Verandering in het zien
Het boekje dat Hub Zwart raadpleegde, heeft een lange voorgeschiedenis.
In feite is het voortgekomen uit een reeks experimenten die over
een lange tijd zijn uitgevoerd. Baanbrekend is de bijdrage van
Abraham Trembley. Deze Zwitserse naturalist vist in de zomer van
1740 uit één van de vijvers op landgoed Sorghvliet bij Den Haag
een poliep op. Hij doet wat nog geen enkele wetenschapper voor
hem heeft gedaan: hij snijdt het waterdiertje in tweeën en constateert
dat zijn ingreep niet resulteert in één dode, maar in twee levende
poliepen. Trembley's experiment markeert het begin van een cruciale
wetenschappelijke praktijk waarbij levende wezens worden ontleed
om 'de geheimen van de natuur' bloot te leggen. De ingreep van
de Zwitser introduceert niet alleen een verandering in het handelen,
maar ook in het zien. In de jaren veertig van de achttiende eeuw
waren de naturalisten nog vol verwondering over al het wonderbaarlijke
dat ze aantroffen in de natuur. Ze beschouwden hun studieobject
- het dier en de plant - als iets dat deel uitmaakt van een groot
geheel: de schepping.
Twee decennia later is van die verwondering weinig over. Er is
dan een naturalist opgekomen die zijn gevoelens aangaande de levende
natuur juist bewust onderdrukt. Emoties zouden hem alleen maar
op een dwaalspoor brengen. De nieuwe naturalist legt zijn studieobject
op de snijtafel en is erop uit onderdelen los te maken uit hun
geheel. Hij deelt wat hij onderzoekt, om het te kunnen wegen,
meten en tellen. Dat doet hij met levende wezens en uiteindelijk
ook met stoffen. Zo verandert water van een levendragend element
in een verbinding van twee waterstofatomen en een zuurstofatoom:
H2O. Warmte wordt uitgedrukt in een cijfer
dat staat voor de lengte van de kwikkolom in een thermometer.
En een vogel als de havik wordt zijn lengte, spanwijdte en gewicht.
Er ontstaat een compleet nieuwe wetenschappelijke taal en daarmee
een totaal nieuw beeld van de werkelijkheid.
Subjectief versus objectief
De vijver als één geheel of de vijver als verzameling van meetwaarden.
Welk van deze twee perspectieven toont de werkelijke vijver? Welke
is 'waar' en welke is 'onwaar'? Het imaginaire of poëtische wereldbeeld
stoelt op indrukken en intuïties van het individu en gaat daarom
door voor subjectief. En aan het subjectieve hechten we in het
algemeen weinig waarde als het gaat om 'waarheidsvinding'. De
symbolische, wetenschappelijke kijk op de werkelijkheid is meetbaar,
voor iedereen verifieerbaar. Deze geldt als objectief en dus waar.
Op dat onderscheid valt nogal wat af te dingen. Want bij geen
van beide benaderingen is sprake van pure of onmiddellijke ervaring
van de werkelijkheid. Ook de wetenschappelijk geanalyseerde vijver
is er niet zonder ons toedoen. Hij ontstaat uit een reeks standaardmetingen
volgens een strikt voorgeschreven protocol. Ook in het symbolische
register blijven we zelf in hoge mate aanwezig in wat we waarnemen.
Volgens Wittgenstein is het dan ook een vorm van bijgeloof te
menen dat de wetenschappelijk geformuleerde natuurwetten natuurlijke
feiten verklaren. Zulke wetten beschrijven slechts regelmatigheden
die noch zichzelf verklaren, noch dat wat gebeurt. Ze hebben niet
het dwingende, logische van mathematische stellingen, zelfs al
laten ze zich in mathematische termen formuleren, aldus deze filosoof.
Met andere woorden: ook het symbolische blijft subjectief.
Waar of onwaar
In het geval van het imaginaire en symbolische gaat het dus om
twee verschillende - beide op eigen wijze subjectieve - perspectieven
die met elkaar wedijveren. Daarbij richt het imaginaire zich vooral
op het wezen van de dingen om ze betekenis te kunnen geven.
Het symbolische heeft in de eerste plaats aandacht voor de werking
van de dingen om ze te kunnen beheersen. Hier staat het zijnsdenken
tegenover het werkingsdenken, de vraag naar het wat tegenover
de vraag naar het hoe.
Het imaginaire of het symbolische. Je kunt niet zeggen dat het
ene waar is en het andere niet. Je kunt hoogstens stellen dat
het gaat om twee wijzen van ervaren die elk een andere structuur
geven aan de werkelijkheid. Daarmee brengt de optelsom van beide
invalshoeken de werkelijke vijver meer aan het licht dan elk van
de twee zou doen zonder de ander. En wat geldt voor de vijver,
geldt ook voor de natuur en de werkelijkheid in het algemeen:
die leren we beter kennen via beide perspectieven dan via één
van de twee alleen.
Intermezzo:
samenspraak natuurliefhebber