In het natuurfilosofische debat van de afgelopen decennia vormt
deep ecology de richting met de meest uitgesproken en samenhangende
visie op de relatie tussen mens en natuur. Het 'diepe' uit de naam
van deze stroming duidt op het onderzoek naar onze dieper liggende
intuïtieve vooronderstellingen. Dat wijst, zo stellen de pleitbezorgers
van deep ecology, op een wezenlijke verbondenheid van de
mens met alle andere levensvormen. Deze aanname staat haaks op het
dominante denken in onze cultuur. Die benadert de natuur als object
waar wij buiten staan en dat wij naar eigen inzicht kunnen exploiteren.
Deep ecology pleit dan ook voor een omkering van waarden,
voor een wereldbeeld waarin alle organische en anorganische entiteiten
- van mens en dier tot plant en berg - knopen zijn in een netwerk
van samenhangende intrinsieke relaties. De mens staat daar niet
buiten of boven, maar neemt er deel aan, vormt een onderdeel van
het permanente proces van ontstaan en vergaan dat de natuur is.
Dit inzicht heeft consequenties voor het praktisch
handelen.
Shallow ecology
Roofvogels, beren, rivieren en bergen zijn niet louter rekwisieten
in een decor waartegen het leven van ons, mensen, zich afspeelt.
De 'wilde natuur' vormt de bron en referentie van ons hele bestaan.
Met dit standpunt onderscheidt deep ecology zich ook van
wat Arne Naess betitelt als shallow ecology. Deze 'oppervlakkige'
vorm van milieudenken stelt milieubescherming eenzijdig in dienst
van de mens. Ze wil aan milieuvervuiling en uitputting van hulpbronnen
paal en perk stellen om de gezondheid en de welvaart van ons en
van toekomstige genereraties niet in gevaar te brengen. En de diversiteit
van plant- en diersoorten moet zoveel mogelijk in stand blijven
om waardevolle gewassen en grondstoffen te behouden voor de landbouw
en de farmaceutische industrie. Shallow ecology stelt dat
het milieubeleid economische groei niet in de weg hoeft te staan.
Groei zou zelfs nodig zijn voor de ontwikkeling van technologische
middelen die de aantasting van het milieu verminderen.
Shallow ecology vormt het fundament van de invloedrijke
studie 'Our common future' dat de Wereld Commissie voor Milieu en
Ontwikkeling van de VN in 1987 uitbracht. Deze studie staat bekend
als het 'Brundtland- rapport', genoemd naar de commissievoorzitter,
de toenmalig Noorse premier Gro Harlem Brundtland. Kernbegrip is
duurzame ontwikkeling: "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften
van de huidige generatie zonder daarmee voor toekomstige generaties
de mogelijkheid in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te
voorzien". De mens van nu en later staat centraal. Plant, dier en
ecosysteem zijn dienstbaar aan zijn welzijn. Het 318 pagina's tellende
rapport doet het morele en ethische aspect van onze menselijke verhouding
tot niet-menselijk organismen af in één zin zonder verdere toelichting.
En die zin volgt op een opmerking over de economische waarde van
diersoorten die in het wild leven. Op pagina 29 (paragraaf 53) staat
het zo: "Diversiteit van soorten is noodzakelijk voor het normaal
functioneren van ecosystemen en de biosfeer als geheel. Het genetisch
materiaal van wilde diersoorten levert een jaarlijkse bijdrage van
miljarden dollars aan de wereldeconomie in de vorm van verbeterde
gewassen, nieuwe medicijnen en grondstoffen voor de industrie. Afgezien
van dit nuttigheidsaspect zijn er ook morele, ethische, culturele,
esthetische en zuiver wetenschappelijke argumenten om wilde soorten
te behouden."
De illusie van de technologische 'fix'
Deep ecology zet zich niet af tegen duurzame ontwikkeling.
In tegendeel. Ze erkent de harde noodzaak van maatregelen die een
rem zetten op vervuiling, verwoestijning en opwarming van de aarde.
'Brundtland' en daaropvolgende rapporten van de VN hebben overheden
en grote ondernemingen geïnspireerd of moreel gedwongen hun beleid
en activiteiten enigszins aan te passen. Maar de aanhangers van
deep ecology stellen dat de grootschalige vernietiging van
ecosystemen niet tot staan wordt gebracht door technologische oplossingen
gefinancierd uit economische groei. Hopen op een technologische
'fix' is een reflex die steeds weer de kop opsteekt. En het is tegelijk
een illusie. Oplossingen met technische middelen verschuiven de
problemen en zorgen ervoor dat we steeds afhankelijker worden van
de techniek. Water-, wind- en zonne-energie, biobrandstoffen, kern-
en waterstofcentrales, ze zijn niet meer dan symptoombestrijding,
doekjes voor het bloeden die ons ervan weerhouden ingrijpender maatregelen
te nemen. Bovendien is de remedie vaak erger dan de kwaal. Zo komt
palmolie voor groene stroom van plantages in Indonesië waarvoor
tropisch regenwoud wordt platgebrand. In Brazilië gaat de grootschalige
teelt van bio-ethanol en koolzaadolie voor alternatieve autobrandstof
ten koste van het regenwoud en van landbouwgronden, dus van de wereldvoedselvoorraad.
Ook windenergie zet geen zoden aan de dijk. Een park van veertig
turbines vermindert de jaarlijkse emissie van kooldioxide met een
hoeveelheid die één passagiersvliegtuig uitstoot in
minder dan een kwartaal. En nee, ook creatieve 'oplossingen' als
het planten van bomen ter compensatie van de CO2-uitstoot
bieden geen soelaas. Hoogstens ontlasten ze het geweten van de vliegreiziger
en automobilist, maar niet het milieu.
Het milieuprobleem is geen 'gewoon probleem', geen bedrijfsongeval
van de moderne samenleving waarvan de gevolgen achteraf zijn bij
te sturen. Het probleem komt direct voort uit onze manier van denken
en het daaruit voortvloeiende handelen. In deze fase van de aardse
werkelijkheid past dan ook een drastische gedragswijziging gebaseerd
op een radicaal ander wereldbeeld waarin niet alles draait om de
mens, aldus de deep ecologist.
Van despoot tot mysticus