"God nam daarom de mens, dat onbepaalde schepsel, zette hem
in het midden van de wereld en sprak aldus tot hem: 'Wij hebben
u, Adam, geen vaste plaats gegeven, noch specifieke kenmerken of
eigenschappen. Zo kunt u zich naar redelijk, eigen inzicht elke
plaats, elk kenmerk en elke eigenschap aanmeten die u zich maar
wenst. Voor alle andere wezens is de natuur vast omlijnd en beperkt
binnen de door ons voorgeschreven wetten. Gij kunt die voor uzelf
bepalen, door geen grenzen belemmerd, naar eigen vrije wil, die
ik u heb toevertrouwd."
Deze regels komen uit de 'Oratie over de waardigheid van de mens'
van de Italiaan Giovanni Pico della Mirandola. Hij schreef ze in
1496. De oratie wordt beschouwd als een van de eerste humanistische
geschriften. De gedachte die er uit spreekt, ligt diep verankerd
in de joods-christelijke traditie. Daarin deelt de mens in grote
mate de transcendentie van God. Als evenbeeld van Hem staat de Mens
boven de natuur. Dieren zijn slaven van het lot. Ze hebben geen
bewustzijn, zijn slechts automaten, dingen zonder eigen belangen
en zonder eigen gewicht. En met automaten hoef je in ethische zin
geen rekening te houden. Je gebruikt ze waarvoor ze nuttig zijn,
geheel in lijn met de opdracht die de God van de Bijbel meegaf aan
Adam en Eva:
"Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt
haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels
en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt." (Genesis,
1: 28)
en later ook aan Noach:
"En de vrees en de schrik voor u zij over al het gedierte
der aarde en over al het gevogelte des hemels, al wat zich op de
aardbodem roert en alle vissen der zee; in uw hand zijn zij gegeven."
(Genesis, 9: 2)