Verandering bestaat niet, aldus Parmenides (vroeg 5e
eeuw v. Chr.). Als verandering wel zou bestaan, dan zou ze een overgangsfase
vormen van 'iets zijn' naar 'niet iets zijn' of andersom. Maar niet
iets zijn, of niets zijn, valt per definitie buiten de werkelijkheid.
Alleen 'wat is' bestaat. Binnen deze ijzeren logica is geen plaats voor
het begrip verandering, want dat zou zich ergens op de as tussen de
tegenpolen 'iets' en het niet bestaande 'niets' moeten bevinden. Hetzelfde
geldt voor het begrip beweging. Beweging kan alleen voorkomen in een
ruimte die niet wordt bezet door iets anders. In een lege ruimte dus.
Maar van lege ruimte die is gevuld met niets, kan geen sprake zijn,
want niets (niet zijn) bestaat niet. En dus kan evenmin sprake zijn
van beweging. Al 'wat is' (= het enige bestaande) moet dan ook onbeweeglijk
en onveranderlijk zijn.
Uit deze redenering volgt dat de indruk van beweging en verandering
die wij hebben, wordt opgedrongen door de zintuigen. Ons beeld van
de dagelijkse werkelijkheid is de vrucht van pure zinsbegoocheling.
Het enige ware wezen, zei Parmenides, is Het Ene, dat oneindig en
ondeelbaar is.