Die roem van Basho kwam misschien niet eens voort uit
de diepere inhoud van het gedicht, als wel uit de originele vorm.
Een leerling van hem beschreef enkele jaren na het onstaan van het
gedicht hoe dat in zijn werk was gegaan.
Het is lente, Basho verblijft in zijn hut aan de rivier.
Het regent zacht en hij hoort er het diepe koeren van duiven. Een
lichte bries waait de kersenbloesems van de bomen. Het is tegen het
einde van de Derde Maand waarin het geluid te horen is van kikkers
die in het water springen. Dit inspireert de dichter tot de volgende
twee regels:
een kikker springt
geluid van water
Aan zijn leerlingen vraagt hij deze haiku af te maken
met een derde regel. Ze komen met suggesties als 'tussen kerriarozen',
'in de avondschemer' en 'in de eenzaamheid': allemaal overbekende
beelden in de Japanse poezie van die tijd. Basho zoekt een originelere
oplossing. Hij verwerpt de gele kerriarozen als seizoenwoord voor
de lente. Hij komt ook niet met een alternatief als 'snelstromend
water', een al even veelgebruikt lentewoord. In plaats daarvan kiest
hij voor het beeld van de stille vijver. Daarbij laat hij de kikker
niet, zoals gebruikelijk, 'smartelijk zingen', maar is hij de eerste
dichter die het beest laat springen.