"God is dood! God blijft dood!"Volgens Nietzsche
had God in zijn tijd alle geloofwaardigheid verloren. Het christendom
was in de loop der eeuwen aan slijtage ten onder gegaan. Dit geloof,
met zijn gerichtheid op een hogere werkelijkheid in de vorm van een
eeuwig leven in het hiernamaals, verklaarde hij tot 'platonisme voor
het volk'. Het was ontstaan langs de dwaalwegen van de rede en had gefungeerd
als narcoticum tegen de beproevingen van het leven. De 'ware wereld'
van Plato en het christendom zijn een fabel geworden en nu we dit beseffen,
dringt de ware aard van de werkelijkheid tot ons door. Die is puur aards
zonder bovenzintuiglijke waarheid of zedelijke wereldorde. De mens,
aldus Nietzsche, staat niet boven, maar in de natuur. En die kent in
zichzelf zin noch doel, maar wordt gekenmerkt door een fundamentele
kracht: de wil tot macht. Deze vormt de drijfveer van alle levende wezens.
Zij is een instinctieve kracht die dwingt tot ononderbroken strijd,
waarbij het ene quantum macht het andere aan zich probeert te onderwerpen
en dat andere quantum op zijn beurt het ene tracht te overmeesteren.
Dit proces van op elkaar inwerkende quanta macht kent geen moment van
stilstand, want voor ze zich hebben gevestigd, zijn machtsverhoudingen
alweer voorbij. Zo verkeert alles in een constant proces van verandering.
Eeuwige beweging en verandering
De laatste constatering brengt Nietzsches wereldbeeld dicht bij dat
van natuurfilosofen als Lao Tzu ('hoog en laag vernietigen elkaar'),
Zhuang Zi ('alles is één in eeuwige spontane verandering') en Herakleitos
('alles ontstaat door strijd', 'uit wat elkaar tegenstreeft de mooiste
harmonie'). In één van zijn laatste teksten formuleert Nietzsche zijn
visie op de werkelijkheid met woorden die klinken als een echo uit
een meer dan tweeduizend jaar diepe put. In één lange poëtische ademstoot
spreekt hij daar van de wereld als een spel van krachten 'tegelijkertijd
één en veel', 'eeuwig veranderend', 'uit de eenvoudigste uitgaande
naar de veelvoudigste, uit wat het meest stil, het meest star, het
koudst is weg naar het vuur dat oplaait', 'uit het spel van de tegenstrijdigheden
terug tot aan de lust van de harmonie'.
Amor fati
Nietzsche koesterde grote belangstelling voor de oudgriekse natuurfilosofen.
Hij noemde hun denken gezond en aards, nog niet aangetast door de
verwording in het denken. "Zij zijn de eigenlijke 'uitvinders';
voor alle lateren was het ondeindig veel gemakkelijker om te filosoferen.
Zij moesten nog de weg vinden van de mythe naar de natuurwet, van
het beeld naar het begrip, van de godsdienst naar de wetenschap."
In één van de colleges die hij aan hen wijdde, citeert hij met instemming
regels van Herakleitos die uitdrukking geven aan diens gedachten over
eeuwige beweging en verandering: Met deze Griek lijkt hij tot de conclusie
te komen dat niets bestaat waarvan men kan zeggen dat 'het is'. Het
zijnde bestaat niet, alles wordt en vergaat 'zonder enig moreel waardeoordeel',
te vergelijken met het spel van een kind dat aan het strand van de
zee zandhopen bouwt en weer vernielt. Van ethiek en doelgerichtheid
is geen sprake, 'want het kind van de wereld handelt niet met een
bepaald doel, doch slechts volgens een immanent proces'. Het wil
niet, maar kan slechts wetmatig handelen. 'Alles is door het
lot bepaald, ook de afzonderlijke mens.'
"De enkeling is een fatum, van top tot teen, een wetmatigheid
te meer, een noodwendigheid te meer voor al wat komt en zijn zal."
De mens rest niets dan zich overgeven aan dit spel van krachten vanuit
een 'amor fati', een liefde voor het lot dat het leven hem oplegt.
Klinkt hier niet de echo van het 'wu wei' waar Lao Zi en Zhuang Zi
over spraken: het niets doen, in de zin van niet-forceren en spontane
overgave aan het natuurlijke verloop der dingen?