Vergelijk deze regels van Basho met het volgende gedicht
van O.C. Jellema.
Zeegezicht
Op de palm van jouw hand, in dat landschap
van gevormde levenslijnen,
niet groter dan een flinke waterdruppel
- terwijl zonsondergang de hele
hemel boven de eindstreep van het eiland
ginds in Turner-kleuren zet -
die babykrab, voorzichtig
van tussen de basaltblokken geraapt,
z'n onderkomen waar hij wachtte op de vloed.
Nog kleiner dan de nagel van jouw pink,
z'n grijsblauw pantsertje nog niet verkalkt,
krabbelt hij zijwaarts over plooi en heuvel,
een onbekende wereld, verontrust
dat bodem warmte geeft.
Dan, op de rand van dat heelal, laat hij
zich zonder aarzeling terugvallen in
de veiligheid van spleten, zeezand, steen,
met achterlating van een beeld, van
haast een naam.
Nu is het of wij, samen onder aan de dijk,
worden gezien, terwijl het water stijgt
en in doorschijning spiegelt hoe de hemel kleurt.
Heeft iemand iets gezegd? Nee, niemand sprak.
In dit gedicht verwondert Jellema zich over de tegenstelling
tussen het kosmische verschijnsel van de vlammende avondzon en het
nietige schepsel in de hand van zijn metgezel. Daarnaast interpreteert
hij de 'emotie' van het kleine diertje. Het is 'verontrust dat bodem
warmte geeft'. Ook meent hij te voelen dat iemand die groter is dan
hijzelf deze aardse scène gadeslaat, maar tegelijkertijd doet hij
dit af als een illusie. Wat overblijft is een besef van verbondenheid
van het nietige met het grootse, van het klein-individuele met het
groot-alomvattende. Om dit effect te bereiken gebruikt de dichter
een flinkt aantal beelden waarvan hij er enkele nog extra uitwerkt.
Zo omschrijft hij de handpalm als 'dat landschap van gevormde levenslijnen'.
Van de babykrab zegt hij dat z'n grijsblauw pantsertje nog niet is
verkalkt. Niets op tegen natuurlijk. Dit blijft een schitterend gedicht
boordevol yugen, aware en wabi-sabi, maar de
haikudichter kiest een andere vorm. Anders dan Jellema beperkt Basho
zich in zijn gedicht over het krabbetje tot één element: de verwondering
om de nietigheid van het kleine schepsel. Een andere haikudichter
had misschien de tegenstelling tussen het kleine en het groot-alomvattende
bendadrukt. Hij had dan op regels als deze kunnen uitkomen:
babykrab geraapt
tussen het basalt vandaan
vuur aan de hemel