"Een mooi schilderij en een mooi gedicht roepen herinneringen
op aan wat je nog nooit hebt meegemaakt. Met de weemoed die daarbij
hoort: zo is het dus, alsof we even zagen hoe de wereld eruit zag
toen wij er nog niet waren en eruit zal zien als wij er niet meer
zullen zijn. Hoe zij haar gang gaat, ook zonder ons."
Rutger Kopland schreef deze regels in zijn boek over Jopie Huisman,
de voddenkoopman en schilder van afgedankte, waardeloze voorwerpen
waar niemand meer naar omkijkt. Een verweerd emaillen botervlootje,
een paar versleten pantoffels, een rafelige lappenpop. Elke schaduw,
elke verkleuring, elke slijtplek daarop heeft de schilder met intense
aandacht weergegeven, alsof hij zeggen wil: verder kijken dan de
buitenkant heeft geen zin, het wezen van de dingen ligt verborgen
aan het oppervlak. Het is een kwestie van goed kijken om te zien
wat we voorheen niet zagen.
Een dichter die zijn vak verstaat, zo zegt Rutger Kopland, doet
wat deze schilder uit het Friese Workum doet. Hij vestigt onze aandacht
op zaken die er wel zijn, maar waar we doorgaans geen oog voor hebben.
Hij opent als het ware een gordijn waarvan je niet wist dat het
open kon en waardoor een uitzicht verschijnt op een wereld die je
herkent zonder hem ooit te hebben gezien. Alsof je ineens ervaart
hoe de wereld is. Goede poëzie brengt iets in herinnering waarvan
wij ons tevoren niet bewust waren, iets dat diep in ons brein ligt
opgeslagen. Daarmee 'herinnert zij ons aan het onbekende', met een
gevoel van weemoed en ontroering als gevolg.
Het mechaniek van de ontroering
Weemoed en herinnering. Volgens Rutger Kopland zijn dit de sleutelmechanismen
die in elke kunst momenten van ontroering scheppen. Zijn poëzie
is er dan ook van verzadigd. Van alle gedichten die Kopland heeft
geschreven, illustreert het volgende misschien wel het best hoe
het 'mechaniek van de ontroering' werkt.
Geluk was een dag aan een vijver
in gras met bomen
tot in de hemel omkringd
ik was er het kind van god en
mijn grootvader - beide stierven
geluk is gevaarlijk
de vijver is gaan liggen met de avond
zo spiegelglad dat hemel, bomen en gras
zich herhalen onder de aarde
angst en heimwee - beide vragen mij
terug
Hier brengt de dichter een moment uit zijn jeugd in herinnering.
Pas die herinnering - zoveel jaren later - zorgt voor een geluksgevoel
waarvan hij als kind geen besef had. De dichter schrijft deze regels
op latere leeftijd. De avond is in figuurlijke zin gevallen, de
wind is gaan liggen. Daardoor ontstaat ruimte voor bespiegeling,
waarbij het heden reflecteert in het verleden en omgekeerd. Deze
inhoud vindt zijn perfecte tegenhanger in de vorm van het gedicht.
Daarin is ook herhaaldelijk sprake van spiegeling en omgekeerde
herhaling. Het gras, de bomen en de hemel van de jeugd, worden de
hemel, de bomen en het gras van de man op leeftijd. De opwaartse
beweging is daarmee in een neerwaartse omgebogen. De god en de grootvader
in de tweede strofe vinden hun tegenhanger in respectievelijk de
angst en de heimwee twee strofen verderop. Dit effect wordt bereikt
door plaatsing van deze twee woordcombinaties direct voor het woord
'beide', dat wordt herhaald. Dezelfde stijlvorm (plaatsing van woorden
in een equivalente positie) treedt nogmaals op aan het eind van
het gedicht. Daar staat het woord 'terug' op een aparte regel, waardoor
het niet alleen extra nadruk krijgt, maar bovendien - als eerste
woord van de regel - eenzelfde plek inneemt als het woord 'geluk'
waarmee het gedicht begint. De vergelijkbare positie van beide woorden
maakt ze in zekere zin synoniem, wat nog eens wordt versterkt door
het gebruik van het dubbele halfrijm (geluk/terug)
en het gelijke metrum (een jambe). De plaatsing van 'terug' op een
aparte regel heeft nog een extra effect: het maakt de constatering
'geluk is gevaarlijk' tot middelste regel en daarmee tot scharnierpunt
van het gedicht. De alliteratie tussen de woorden geluk en gevaarlijk
versterkt daarbij de gelijkstelling van beide begrippen.
Deze hele vormtaal van het gedicht onderstreept het centrale thema,
namelijk dat ontroering of geluk ontstaat door een terugblik op
het onbesefte, ofwel een herinnering aan het onbekende. Tegelijk
wordt duidelijk hoe gevaarlijk en hoe vluchtig en broos dat geluk
is.
Zo andersom is alles, misschien
Iets onbekends tot leven wekken. Iets in herinnering brengen
dat in het brein ligt opgeslagen en er niet is voordat het onder
woorden wordt gebracht. Zo vat Kopland zijn taak als dichter op.
Zijn uiteindelijke doel is daarmee onze 'breekbare relatie met de
wereld te beschrijven'. Om dat te bereiken maakt hij veelvuldig
gebruik van de paradox. Deze stijlfiguur stelt extreme en op het
eerste gezicht onverenigbare tegenstrijdigheden aan elkaar gelijk.
Zij dwingt zo tot denken voorbij de cliché's van het normale taalgebruik,
de enige manier om te herkennen wat we nog niet wisten. In de gewone
alledaagse taal en logica hanteren we onbewust het beginsel van
de tegenspraak: A kan niet gelijk zijn aan niet-A. De paradox doorbreekt
die conventie. Zij toont het gevaar in geluk en de aanwezigheid
van wat er niet is, net zoals een boom die is omgehakt, afwezig
is en tegelijk aanwezig voor wie hem daar ooit heeft zien staan.
Door zijn onredelijke inhoud lijkt de paradox het denken uit te
schakelen, het verstand ten prooi te geven aan de irrationaliteit.
In werkelijkheid zorgt de paradox alleen voor tijdelijke uitschakeling
van de conventionele rationaliteit waarmee we onze wereld
overzichtelijk en het onbegrepene buiten de deur proberen te houden.
In plaats daarvan stelt zij - in de woorden van Kopland - een explorerende
rationaliteit die 'luistert naar wat we nog nooit hebben gehoord
en zegt wat nog nooit is gezegd'. Eén van Koplands gedichten eindigt
met een regel waarin hij het paradoxale karakter van de werkelijkheid
samenvat. 'Zo andersom is alles, misschien', staat er. Daarop volgt
de slotregel 'Ik zal dit uitleggen', alsof hij zeggen wil dat zijn
hele oeuvre één poging is om dit schijnbaar tegenstrijdige te onderzoeken.
Niet van geluk noch van verdriet
Bij zijn onderzoek richt Kopland zich onder meer op de fundamentele
kwestie van de plaats die wij mensen in de wereld innemen. Met vele
collegadichters stelt hij dat we leven in een koud, onverschillig
heelal. Lucebert zei al 'een broodkruimel te zijn op de rok van
het universum'. A. Roland Holst omschreef de condition humaine
met de regel 'wij zijn maar als de blaren in de wind, ritselend
langs de zoom van de oude wouden' . Rutger Kopland spreekt van een
fundamentele eenzaamheid. We worden omringd door nacht, stilte en
leegte. Er is sprake van één groot komen en gaan, waardoor wij op
deze wereld slechts passanten zijn. De dominante factor is verlies,
de constante terugkeer van het afscheid, het verdwijnen van alles
en iedereen. Wie echt doordrongen is van deze verpletterende werkelijkheid,
raakt echter niet bevangen door verdriet, maar vindt in dat besef
juist berusting.
Wereld je bent een geduldig woord
de een of andere god sprak je uit
en je liet hem uitspreken, wereld
wereld zeg ik en ik zie de nacht
wereld zeg ik en ik hoor de stilte
wereld zeg ik en ik voel de leegte
niet van geluk noch van verdriet
maar van eenzaamheid stromen onze
ogen en oren en handen vol wereld
zie hoe paarden voortjagen over
de horizon voor hun zwaaiende koets
en de mist hen zwart maakt en wit
hoor hoe de violen van Händel hun
kelen openen en zich uitzingen
uithuilen om dat komen en gaan
voel de windstille herfstlucht over
de huid van je wuivende handen
bij dit afscheid, deze terugkeer
wereld zeg ik waarom deze eenzaamheid
maar de vraag is het antwoord, ik
moet dit opgeven, dit opnieuw beginnen.
0-0-0