Aan de ene kant staat het ding.
Aan de andere kant staat het mysterie.
Meer van het ding en het mysterie weet ik niet.
Hoe in naam van wat dan ook,
Hoe kan ik er meer van weten?
En dit weten is een klein weten, voeg ik er aan toe,
Een klein idee hoogstens, klein
In zijn gevolgen voor de tijd.
Als aan de ene kant staat het ding
En aan de andere kant het mysterie,
Is de wereld duidelijk.
De straat is de straat waarin ik vrienden tegenkom,
De bloemen bloeien zoals zij moeten bloeien, met bloesems,
De wind waait wanneer zij wil,
En het gebrek aan meer weten
Dan dat aan de ene kant staat het ding
En aan de andere kant het mysterie
Is mij een onuitputtelijke bron van vreugde.
Arjen Duinker
Volgens Arjen Duinker zijn het ding en het mysterie twee zaken
die niets met elkaar van doen hebben. Het mysterie, dat een plaats
heeft in menige religie en filosofische stroming, staat mijlenver
verwijderd van het ding, ofwel de tastbare werkelijkheid. De dichter
geeft enkele voorbeelden van die werkelijkheid. Een straat met vrienden.
Bloemen die bloeien met bloesems. Wind die naar eigen inzicht waait.
Over vorm en inhoud van het mysterie zwijgt hij in alle talen. Eigenlijk
laat het mysterie hem koud, zo lijkt het, maar het bestaan ervan
ontkent hij niet. Integendeel. Het staat immers 'aan de andere kant'.
Daar mag het van Duinker gerust blijven staan. Hij berust in het
feit dat het mysterie nou eenmaal een mysterie en dus per definitie
onkenbaar is. Hij weet alleen, zo zegt hij, dat het mysterie buiten
de dingen staat. Met andere woorden: het mysterie is transcendent.
Daarmee kiest hij partij in de discussie die al eeuwenlang woedt
over de transcendentie dan wel immanentie van het mysterie. Wat
buiten het bereik van ons denken ligt, krijgt in die discussie ofwel
een plaats in een andere, hogere wereld (de transcendentie), ofwel
in de wereld van de dingen waar wij middenin staan (de immanentie).
Dichterlijk spreken alle kunsten
Maar dat mysterie, wat is dat nou eigenlijk? Waarheen wijst het
onuitroeibare vermoeden dat naast het kenbare ook nog iets bestaat
dat we niet kennen? Iemand die zich als een terrier op deze vraag
heeft geworpen is Martin Heidegger. Met de onkenbaarheid van het
mysterie nam hij geen genoegen. En ook in een ander opzicht verschilt
deze filosoof van de dichter Arjen Duinker: hij zoekt het mysterie
in de dingen. Om precies te zijn in het 'Zijn' van de dingen.
Heideggers werk is één grote zoektocht naar dit 'Zijn' dat buiten
het bereik van ons denken ligt. Buiten het bereik van ons denken,
dus per definitie niet met het denken, het verstand, te peilen.
Maar waarmee dan wel? Met Dichtung, aldus Heidegger. Dat
wil zeggen met het dichterlijk spreken. Daaronder verstaat hij niet
alleen de poëzie, maar alle vormen van kunst. Alle kunst spreekt
dichterlijk over het Zijn van de dingen, dat hij ook waarheid noemt.
Kunst is daarmee 'het in-het-werk-stellen van de waarheid'. Poëzie
doet dat, muziek doet dat, schilderkunst doet dat, architectuur
doet dat. Als voorbeeld van de manier waarop kunst de waarheid in
het werk stelt, verwijst hij naar de Griekse tempel. Die beeld niets
af, imiteert niets. De tempel is zichzelf. Het is een ding dat uit
de aarde oprijst en met dat oprijzen een hele wereld zichtbaar maakt:
de wereld van de stervelingen die het hebben gebouwd, een wereld
van onheil en zegen, noodlot en offer, leven en dood. Tegelijk toont
het bouwwerk wat anders onopvallend zou opgaan in de anonimitiet
van het landschap: de rots waarop het staat, de wijde hemel, het
licht van de dag en de donker van de nacht. Het weerstaat de storm
die eroverheen raast en toont zo de storm zelf in al zijn geweld.
Het loodrecht oprijzen van de zuilen maakt de onzichtbare ruimte
van de lucht zichtbaar. Ook aan de bomen, de planten en de vogels
eromheen geeft het reliëf. Zo is de tempel een ding dat een hele
wereld met zich meedraagt en in zich verzamelt. Aarde en wereld,
natuur en cultuur, spannen hier samen en daarmee 'gebeurt' een waarheid.
De tempel geeft de dingen hun gezicht en de mensen het zicht op
zichzelf en is daarmee boodschapper van die waarheid.
Het viervoudige
Bij Heidegger is het mysterie duidelijk immanent. Het manifesteert
zich in de wereld, in het ding: de tempel, het gedicht,
het schilderij, het beeldhouwwerk, het muziekstuk. Als boodschappers
van het mysterie vervullen deze dingen een 'goddelijke functie'.
Het begrip goddelijk is één van de elementen die Heidegger gebruikt
in een formule om de werking van kunstwerken te verhelderen: het
'viervoudige van aarde en hemel, de goddelijken en de stervelingen'.
Alle vier deze elementen vormen samen, als viervoudige, de structuur
van het Zijn. Ze onthullen het mysterie dat schuil gaat in de 'zijnden',
zoals Heidegger de dingen inclusief de mensen noemt. Het woord aarde
staat voor de natuurlijke werkelijkheid, voor Moeder Aarde in 'haar
ondoorgrondelijke aanwezigheid, schenkend en nemend'. Zij is 'de
dienend dragende, de bloeiend vrucht-barende, uitgestrekt in gesteente
en wateren, ontluikend in gewas en gedierte'. De hemel is 'de welvende
zonnebaan, de loop van de wassende en krimpende maan, het flikkeren
van het gesternte, de jaargetijden en hun kentering, licht en schemering
van de dag, duisternis en helderheid van de nacht, de mildheid en
guurheid van het weer, het trekken van de wolken en de azuren diepte
van het hemelruim'. De goddelijken zijn de boden die 'de groet overbrengen
van het mysterie', van de waarheid van het zijnde. Ze zijn de concrete
manifestatie van die waarheid. Stervelingen, zo noemt hij de mensen,
omdat ze als enige soort zich bewust zijn van hun sterfelijkheid.
Dichterlijk spreekt de landweg
Het viervoudige, als mechaniek voor onthulling van het Zijn van
de zijnden, is niet alleen werkzaam in kunstwerken. Ook gewone gebruiksvoorwerpen,
natuurlijke verschijnselen of landschappen kunnen de waarheid in
het werk stellen. Hoe het viervoudige actief is in natuur en landschap
laat hij zien in 'De Landweg'. In die korte poëtische tekst schildert
hij de omgeving van zijn geboortestad Messkirch. Centraal staat
de weg die de stad uitvoert, de glooiende heuvels in, met al het
leven dat zich daarop en daaromheen afspeelt. De alledaagse, steeds
terugkerende taferelen in de afwisseling van de seizoenen doen hem
concluderen dat het 'blijvende en het grootse' - het mysterie -
schuilt in het 'eenvoudige en steeds hetzelfde'. Het onthult zich
in de leeuwerik die op een zomerochtend boven de heuvel opstijgt.
In de nevel die over de velden schuift. In de mensen die op en langs
de landweg
hun werk verrichten. Hier treedt het Zijn van de zijnden aan het
licht. Het mysterie toont zich zonder dat het wordt verklaard. Heidegger
noemt deze waarheid 'onverborgenheid' naar het Griekse woord aletheia
dat de pre-socratici gebruikten om waarheid aan te duiden. Waarheid
in de zin van onverborgenheid vergelijkt hij ook wel met het plotseling
opdoemen van een open plek (Lichtung) in een donker bos.
Dat in het licht treden van de waarheid gebeurt in steeds weer andere
verschijningsvormen van 'het eenvoudige en steeds hetzelfde'. Ook
in de straat waarin je vrienden tegenkomt. Ook in bloemen die bloeien
zoals ze moeten bloeien, met bloesems. En ook in de wind die waait
wanneer zij wil.
Na de geboorte
van het prille licht