In de academie
De leerling stond op en sprak:
Eeuwen en eeuwen
Hebben wij in de schaduw van de geest geleefd
Hebben wij gedacht
Dat het verstand de wereld spiegelt
Dat de dingen aan een naam gehoorzamen
Dat in het lichaam een innerlijk huist
Dat het wezen ergens achter de verschijning
In de diepte schuilt
Grof gezegd, kennen we twee soorten filosofen. De eerste gelooft
in een wereld buiten of boven de tastbare werkelijkheid. De aartsvader
van deze soort is Plato, de stichter van de Academie in Athene.
Hij onderwees zijn leerlingen in het bestaan van een aparte wereld
achter de verschijnselen in de natuur. Het is de wereld van eeuwige,
onveranderlijke patronen of ideeën. En die bovenzinnelijke ideeënwereld
is werkelijker dan de zichtbare wereld, want deze laatste is van
de ideeënwereld slechts een armzalige afschaduwing.
Omdat de actieradius van onze zintuigen zich beperkt tot de tastbare
schimmenwereld, zo redeneert Plato verder, moeten we die zintuigen
wantrouwen. Ze vormen niet het juiste instrument waarmee we de werkelijkheid
kunnen doorgronden. Die rol is weggelegd voor ons verstand. Alleen
met de rede kunnen we deelnemen aan de ware, onvergankelijke wereld
der ideeën. Metafysici als Plato, met in zijn voetspoor Augustinus
en Descartes, zijn veelal ontwerpers van theoretische bouwwerken
die het aardse en het bovenaardse vatten in één alles verklarend
systeem.
Maar zie de vorm van de wolken in de lucht
Luister naar de groeiende bamboestengels
Zie het getal van de schuimkoppen in zee
Kijk naar het gedrag van de gletsjers
De woorden zijn contouren
De geest is een theologische inblazing
De verschijning is qualitate qua het wezen
En het innerlijk is omgekeerd het lichaam
Het denken volgt op afstand
In tegenstelling tot de metafysici geeft de tweede soort filosofen
het primaat aan de zintuiglijke waarneming. Zij ‘schouwen’ de ons
omringende verschijnselen en gaan ervan uit dat wij slechts kunnen
weten door te zien, te horen, te proeven en te voelen. Het denken,
dat wil zeggen het verstand, volgt op afstand en schiet bij het
interpreteren van de werkelijkheid altijd tekort. Tussen hemel en
aarde bestaat weliswaar meer dan wij kunnen waarnemen, maar dat
mag geen reden zijn om de witte plekken dan maar in te vullen met
ons vrij zwevende verstand. Wat we niet kunnen waarnemen, kunnen
we ook niet weten of verklaren. Uitspraken doen over zaken die voorbij
onze horizon liggen, staat gelijk aan speculeren, aan geloven in
het ongerijmde. In deze anti-metafysische traditie staan filosofen
als Lao Zi, Zhuang Zi, Herakleitos, Nietzsche en Wittgenstein. Als
zij al spreken van God, dan is dat geen bovennatuurlijke alleskunner.
Velen van hen beleven het goddelijke in de natuur, vanuit het besef
dat wij als mensen één zijn met het ‘alles-ons-omringende’. En daarmee
zijn ze - om de woorden van Einstein te gebruiken - vaak ‘diep religieuze
ongelovigen’.
Kijken en vergelijken
Deze anti-metafysici moeten doorgaans niets weten van alles
verklarende theorieën. Die geven, in de woorden van Ludwig Wittgenstein,
geen beelden van de werkelijkheid. Ons blikveld is beperkt. De werkelijkheid
omvat meer dan we kunnen bedenken, maar wat voorbij de grenzen van
ons denken ligt, valt niet te ontrafelen met de analyse en de logica.
Je kunt het hoogstens aanduiden met een associatie, een metafoor
of paradox. Hoogstens aanwijzen met een aforisme of korte observatie.
Kortom, voorbij een zeker punt levert kijken en vergelijken meer
op dan denken en theoretiseren. Met deze instelling tonen de anti-metafysische
filosofen zich verwant aan de dichters. Eigenlijk zijn ze de dichters
onder de filosofen, want ze geven blijk van een poëtisch wereldbeeld.
Laten wij ons dus allen ontkleden
Naakt als de stenen, de dieren in het veld
Het wegdek van verlaten wegen
Laten wij het licht van de wereld
Op de huid van onze lichamen ontvangen
De huid die inzicht en troost zal schenken
De huid die verlichting zal brengen
Erkenning en rijkdom doen niet meer ter zake
Voor schaamte is nu geen plaats
Het licht wacht
De waarheid is
hier