Het blijvende en het grootse dat zich onthult in het eenvoudige
en steeds hetzelfde. Aldus Heideggers invulling van het onbekende
waarnaar de filosofie verwijst met begrippen als de transcendentie,
de alteriteit, het andere, het raadsel, het absolute en het mysterie.
Heidegger lokaliseert dat grootse onbekende in de dingen
en ontneemt het daarbij al zijn bovennatuurlijke associaties.
Hij zet het middenin alles dat ons omringt. Maar als dat immanent
andere of immanent absolute van de filosofen schuilt in het eenvoudige,
in het alledaagse dat steeds hetzelfde is, krijgt het dan niet
iets heel banaals? Komt het dan uiteindelijk niet gewoon neer
op een verzameling platte waarheden als 'de wind waait wanneer
ze wil' en 'alles wat leeft gaat onherroepelijk ook een keer dood'?
In feite wel ja. Alleen, het verschil zit in de beleving van dat
gewone, platte en alledaagse. Op momenten dat we er onbedachtzaam
en onverschillig aan voorbij gaan, is het voor de hand liggende
een cliché en bestaat het mysterie niet. Van een mysterie is pas
sprake als we ons over het eenvoudige en steeds hetzelfde verwonderen.
Als we beseffen dat bloemen bloeien zoals ze moeten bloeien: met
bloesems. Als we heel even voorbijgaan aan de vanzelfsprekendheid
en de essentie zien. De essentie van de oneindig scheppende
werkelijkheid die zich veruitwendigt en manifesteert in de afzonderlijke
eindige dingen. Zelfs in een vel
papier.
Fern Hill
Het best in het scheppen van verwondering die het oneindige
in het eindige, het eeuwige in het vergankelijke, tastbaar maakt,
zijn de dichters en de kunstenaars. Zo laat Dylan Thomas in zijn
gedicht Fern Hill taal en landschap samenwerken om één facet van
het alledaagse boven het cliché uit te tillen en als mysterie
en waarheid in het licht te stellen. Hij doet dat door het opgroeien
van kind naar volwassenheid tegelijk een sterven te laten zijn.
In zeer beeldende en klankrijke woorden toont hij hoe de tijd
hem in zijn kinderjaren toestond 'jong en vrij' als een prins
te heersen over de velden en de dieren rond een 'zingend' huis,
in de telkens herboren zon en in nachten vol sterren boven de
vallei. Fern Hill (Varensheuvel), zo heette de boerderij van zijn
tante waar hij in zijn kinderjaren vaak de zomer doorbracht. Waar
hij kriskras door de hooivelden rende op dagen die aanbraken als
na de geboorte van het eerste licht. Waar tegelijkertijd middenin
dit paradijselijke bestaan de maan, symbool van de dood, genadeloos
rijst. Het gedicht stelt het viervoudige van Heidegger volop in
werking. In het decor van aarde en hemel laat het de waarheid
van het Zijn gebeuren. Als goddelijke boodschappers berichten
gedicht en natuur van dit mysterie.
Eens
toen ik jong en vrij was onder de appeltakken
Rond het zingende huis en blij tussen het groene gras,
De nacht vol sterren boven de vallei,
Liet de tijd me jubelen en klauteren
Goudglanzend in het hoogtij van zijn ogen.
En gelauwerd tussen wagens was ik prins van de appelhoven
En in die voortijd liet ik, een vorst gelijk, boom en blad
Meedrijven met gerst en madelieven
Op de stromen van afgewaaid licht.
En
toen ik groen en zorgeloos was, gevierd tussen de schuren
Rond het blije erf en zong om de hoeve, mijn huis,
In de zon die maar eens jong is,
Liet de tijd me spelen en glimmen
Als goud in de genade van zijn overdaad,
En groen en goud was ik jager en hoeder, de kalveren
Stemden in met mijn hoorn, de vossen in de heuvels keften klaar
en kil,
En de sabbat rinkelde loom
In de kiezels van de heilige wateren.
Heel
de zon lang stroomde alles, het was heerlijk, de hooi-
Velden hoog als het huis, een wijsje uit elke schoorsteen, het
was lucht
En spel, heerlijk en waterrijk
En vuur groen als gras.
En 's nachts onder het simpel gesternte
Als ik weggleed in sluimering, voerden de uilen de hoeve weg,
Heel de maan lang hoorde ik, gezegend tussen de stallen, de zwaluwen
Scheren tussen de schoven, en de paarden
Draven in de duisternis.
En dan ontwaken, en de hoeve, als een dwaalgast wit
Van dauw, zien terugkeren, de haan op de schouder: het was al
Glinstering, het was Adam en de Eerste Vrouw,
De hemel maakte zich weer op
En de zon groeide rond juist op die dag.
Zo moet het zijn geweest na de geboorte van het prille licht
Op de eerste, duizelende plek, met betoverde paarden die zich
warm stapten
Uit de hinnikend groene stal
Naar de glorievolle velden.
En
geëerd door vossen en fazanten bij het opgewekte huis
Onder nieuwe wolken en gelukkig met het hart vol verlangen,
In de telkens herboren zon,
Rende ik mijn roekeloze wegen,
Mijn wensen snelden door het huishoge hooi
En het deerde me niet bij mijn hemelsblauwe daden dat de tijd,
Zo toonrijk in zijn tolling, zo weinig van zulke morgenliederen
gunt
Voordat de kinderen groen en goud
Hem volgen uit de gratie,
Het
deerde me niet, in die lamswitte dagen, dat de tijd me zou leiden
Naar de zolder zwart van zwaluwen bij de schaduw van mijn hand,
In de maan die immer rijst,
Noch dat ik in mijn sluimerslaap
Moest horen hoe hij vloog over de hoge velden
En ontwaken bij de hoeve voor goed vervlogen uit het kindloze
land.
O, toen ik jong en vrij was in de genade van zijn overdaad,
Droeg de tijd me groen ten grave
Al zong ik in mijn ketenen als de zee.
Originele
versie
0-0-0