Havik op zijn horst
Ik zit hoog in het woud, mijn ogen dicht.
Bewegingloos, zonder droom die misleidt
Tussen mijn scherpe snavel en scherpe klauwen:
Of in slaap repeteer de ideale stoot en
eet.
Het gemak van de hoge bomen!
De lucht met zijn thermiek en het licht
van de zon
Ze zijn er alle ten voordele van mij;
En de aarde beneden me uitgestrekt ter inspectie.
Mijn klauwen omklemmen de ruwe schors.
De hele Schepping kwam eraan te pas
Voor de productie van mijn klauw, van elke
veer apart:
Nu houd ik de Schepping in mijn klauw
Of vlieg op in wentelvlucht heel langzaam
-
Ik dood waar ik wil want het is alles van
mij.
Mijn lichaam wikt noch weegt:
Mijn stijl is het afrukken van koppen -
Het toebedelen van dood.
Want mijn vlucht kent maar een richting dwars
Door het gebeente van wat leeft.
Voor dat recht behoef ik geen excuus:
De zon staat achter me.
Niets is veranderd sinds ik begon.
Mijn oog heeft geen verandering toegestaan.
Ik zorg dat alles zo blijft.
Ted Hughes
Originele
versie
Romanschrijvers verstaan de kunst zich te
vereenzelvigen met de personages in hun boeken.
Het lijkt alsof ze de gedachten en gevoelens
van fictieve mensen van binnenuit beschrijven.
Door de wijze waarop ze dat doen, identificeert
ook de lezer zich met het denken en voelen
van de romanfiguren. Voor de duur van het
lezen zijn lezer en romanfiguur één. Zo'n
inleving in de 'geest' van dieren is in de
literatuur veel minder gebruikelijk. Misschien
omdat het veel moeilijker is. Want wat weten
we nu eigenlijk van de gedachten en gevoelens
van dieren? In hoevere hebben ze die? Als
een schrijver al een poging tot identificatie
doet, dan blijft deze vaak steken in projectie.
De dieren gaan wikken, wegen en praten als
mensen. Het worden fabeldieren.
Eigen bestemming
Voor min of meer geslaagde pogingen tot identificatie
met dieren moeten we bij de dichters zijn.
Bij Ted Hughes bijvoorbeeld. De 'ik' in zijn
'Havik op zijn horst' is geen fabeldier. In
dit gedicht staat en vliegt een schepsel van
vlees en bloed dat volstrekt één is met zijn
omgeving. De lucht is zijn element en de zon,
ja de hele schepping, staat achter hem. Letterlijk
en figuurlijk. Hier geen projectie van de
schrijver in de vorm van een antropomorfe
gedachte en ook geen moraliserende opmerking
over wreed gedrag. Als je deze regels aandachtig
leest, ben je zelf heel even havik. Ook licht
het sterke besef op dat deze vogel een eigen
bestemming heeft. Tot in de toppen van zijn
klauwen en vleugels is hij erop gebouwd zich
in zijn natuurlijke omgeving in stand te houden
en zijn eigen welzijn te realiseren.
De havik heeft een eigen bestemming. Net
als elke andere levensvorm streeft deze vogel
een eigen doel na, een eigen 'goed'. Dat doel
is voor hem intrinsiek waardevol. Voor een
eikel is het intrinsiek waardevol uit te groeien
tot een flinke boom die op zijn beurt vrucht
draagt. Voor een paard is het intrinsiek waardevol
gras te eten te midden van een kudde. Net
zoals het voor een havik intrinsiek waardevol
is om zichzelf in stand te houden door mussen
en muizen te vangen.
De begrippen 'eigen bestemming' en 'intrinsieke
waarde' spelen een belangrijke rol in de milieufilosofie.
Deze tak van wijsbegeerte kreeg vorm vanaf
de jaren zeventig van de vorige eeuw. Dat
had alles te maken met de nieuwe technologieën
die in de Tweede Wereldoorlog waren ontwikkeld
voor militaire doeleinden en daarna een toepassing
vonden in het dagelijks leven.
Grenzen aan de groei
In de oorlog had het Amerikaanse leger grote
hoeveelheden DDT geproduceerd om de kleding
van soldaten te ontsmetten. Na '45 vond deze
chemische verbinding alom ingang als insectenverdelgend
middel in de landbouw. Voor tanks en gevechtsvliegtuigen
waren krachtige verbrandingsmotoren ontworpen.
Die belandden nu onder de motorkap van personenauto's,
vrachtwagens, tractors, bulldozers en oogstmachines.
De versnelde technologische ontwikkeling
leidde in de geïndustrialiseerde landen tot
een spectaculaire stijging van de levensstandaard.
In combinatie met een explosieve bevolkingsgroei
veroorzaakte ze ook grootschalige ontbossing,
bodemerosie, water- en luchtvervuiling en
aantasting van ecologische systemen. In de
jaren zeventig rees in brede kring ongerustheid.
Het onderzoeksbureau NIPO constateerde in
1971 dat een grote meerderheid van de Nederlandse
bevolking een relatie zag tussen milieuvervuiling
en overbevolking. Van de volwassenen boven
de achttien wenste 77% maatregelen om het
bevolkingsaantal terug te dringen. Het jaar
daarop voerde de Stichting Ideële Reclame
(SIRE) campagne met het thema "Veel te veel
kinderen krijgen straks geen leven. Geboortebeperking
is noodzaak". In hetzelfde jaar luidden zesendertig
Europese wetenschappers de noodklok. Als Club
van Rome publiceerden ze het rapport 'Grenzen
aan de groei'. Wanneer niet snel wordt ingegrepen,
zo stelden de auteurs, zal de niet aflatende
bevolkingsgroei, in combinatie met de steeds
toenemende materiële consumptie, binnen honderd
jaar de draagkracht van de aarde overstijgen.
In het midden van de wereld
Het rapport van de Club van Rome miste zijn
uitwerking niet. Overheden begonnen milieubeleid
te ontwikkelen. Dat leidde tot vermindering
van de zure regen die de bossen bedreigde.
En in de jaren negentig was het oppervlaktewater
een stuk minder vervuild dan twintig jaar
daarvoor. Ook in de filosofische tijdschriften
kreeg het milieu ruime aandacht. Aan de universiteiten
ontstond een aparte discipline, de milieufilosofie.
De eerste beoefenaars daarvan zagen het als
hun taak de waarden van de natuurlijke, niet-menselijke
wereld te beschrijven. Ze stelden de vraag
of niet-menselijke organismen op zichzelf
waarde bezitten. 'Op zichzelf', dus los van
de nutswaarde die ze hebben voor de mens.
Als die eigen waarde kan worden aangetoond,
dan kunnen op basis daarvan ethische uitgangspunten
worden geformuleerd voor menselijk gedrag
dat leidt tot behoud van die waarden. Daarmee
wilden de milieufilosofen een alternatief
formuleren voor de 'beheersethiek' die het
westerse denken de laatste vier eeuwen is
gaan domineren. In dat denken vormt de mens
het middelpunt
van de wereld. Het welzijn en de welvaart
van de mens zijn de ultieme norm voor het
ethisch denken en handelen. De natuur is slechts
grondstof voor de bevrediging van zijn behoeften.
Als leverancier van energie, voedsel, recreatie
en schoonheidservaring bezit ze louter instrumentele
waarde.
Ecocentrisch wereldbeeld
Het is de hoogste tijd dat we onze mensgerichte
moraal overstijgen, zo vonden deze milieufilosofen.
Want het humanistisch denken, dat louter op
de mens is betrokken, beschouwt andere organismen
slechts als 'dingen'. Dingen zonder eigen
behoeften en belangen, zonder gevoelens, zonder
eigen betekenis en gewicht. Vanuit dit perspectief
persen we al het niet-menselijke leven volledig
binnen onze eigen kaders. Met als gevolg dat
we het directe contact met de natuur - dat
wil zeggen de buiten-menselijke werkelijkheid
- zijn kwijt geraakt. Vooral sinds het begin
van de industriële revolutie, zo'n tweehonderd
jaar geleden, zien we een totale vermenselijking
en domesticatie van de aarde. Symptomen daarvan
zijn de onttakeling van ecologische systemen,
het uitsterven van dier- en plantsoorten en
het misbruik van dieren in de bio- en voedingsindustrie,
de biotechnologie en de farmaceutische industrie.
Aangekomen op dit punt van de menselijke
geschiedenis, aldus de milieufilosofen, zou
het ons passen het arrogante antropocentrische
wereldbeeld in te ruilen voor een ecocentrische
kijk op de werkelijkheid. Aan de basis daarvan
ligt de visie dat ook niet-menselijke organismen
worden gekenmerkt door een eigen activiteit
en creativiteit. Ook zij worden gedreven door
behoeften en verlangens en hebben belang bij
ontplooiing van hun soort-specifieke vermogens.
Ze verschillen van machines en automaten doordat
ze in staat zijn tot interne zelf-bepaling
en zelf-regulatie, onafhankelijk van menselijke
doelstellingen. Ze hebben een natuurlijke
bestemming te worden waarop zij van nature
zijn gericht. In filosofische termen: ook
dieren en planten hebben een subject- of zelfkarakter,
net als de mens. Daardoor bezitten ook zij
waarde van zichzelf.
Dat niet-menselijke organismen zich niet
van deze intrinsieke waarde bewust zijn, doet
hier niets aan af. Weliswaar kan alleen de
mens waarde herkennen, maar niet alle waarde
wordt door ons gemaakt. Net zo min als iets
dat wordt gemeten, wordt gemaakt door degene
die meet. Dat dieren en planten intrinsieke
waarde bezitten, betekent dat we in moreel
opzicht met hen rekening moeten houden. Ook
niet-menselijke organismen zijn moreel relevant.
Daaruit volgt dat we ons niet langer uitsluitend
mogen richten op onze eigen doelen. Het past
ons grenzen te stellen aan onze instrumentele
benadering van de natuur. En als we erkennen
dat alle levende organismen morele aandacht
verdienen vanwege hun 'eigen gewicht', dan
volgt daaruit dat we die aandacht ook moeten
geven aan de soorten en ecosystemen waarvan
die organismen deel uitmaken en afhankelijk
zijn.
Deep ecology
De intrinsieke waarde en het eigen gewicht
van niet-menselijke organismen vervult een
centrale rol in deep ecology. Deze
term is in 1973 gemunt door de Noorse filosoof
Arne Naess. Hij verwees daarmee naar een 'ecofilosofie'
die stelt dat de aarde niet de mens toebehoort.
Wij bewonen haar slechts en kunnen gebruik
maken van haar bronnen om tegemoet te komen
aan onze fundamentele behoeftes. Maar als
onze niet-fundamentele behoeftes in conflict
raken met de fundamentele behoeftes van niet-menselijke
wezens, dan dienen we deze laatste te respecteren.
De andere leden van de 'biotische gemeenschap'
hebben net als wij het recht zich te ontplooien
en hun eigen evolutionaire pad te volgen.
Dit ethisch standpunt stoelt op intuïtie,
zo erkent Naess en is dus niet te bewijzen.
Maar daarin verschilt het niet van welk ander
standpunt dan ook. Naess: "Zoals Aristoteles
zei, wie probeert alles te bewijzen, toont
een gebrek aan inzicht. Ergens is er een beginpunt."
Ook de wetenschap en de logica berusten op
vooronderstellingen. Het beginpunt kent geen
objectieve grond. Aan gene zijde van dat punt
schuilt altijd een complex van al dan niet
bewuste psychologische, culturele of sociale
motieven. Dat geldt voor het ecofilosofische
grondbeginsel van intrinsieke waarde, maar
net zo goed voor het economisch axioma dat
de groei van productie en consumptie voorwaarde
is voor het menselijk welzijn.