De dichter die het mechaniek van de haiku als geen
ander wist te hanteren, is Basho (1644-1694). In zijn jonge jaren
trof hij in Edo (het tegenwoordige Tokyo) een literaire wereld
waarin de productie van verbale hoogstandjes de boventoon voerde.
Mooischrijverij was de norm. Aanvankelijk schreef hij zelf ook
in zo'n gemaniëreerde stijl. Dat veranderde naarmate hij zich
meer verdiepte in taoïstische en Zen-boeddhistische werken. Langzaam
ontwikkelde hij een eigen zienswijze waarbij hij de vorm ondergeschikt
maakte aan de inhoud. In zijn ogen mocht het ego van de dichter
de poëzie niet in de weg zitten. De dichter moet zichzelf wegcijferen.
Het gedicht mag geen instrument zijn van zelfexpressie. Deze poëtica
spoort met het Zen-streven naar 'ego-vernieting' die bestaat uit
opheffing van de gefixeerdheid op het ik. De Zen-volgeling werkt
met behulp van meditatie naar een toestand van verlichting (satori)
aan gene zijde van de eigen voorkeuren en vooroordelen. Het resultaat
is een intuïtief inzicht in de eigen ware natuur ('het zelf')
die één is met de wereld waarin niets op zichzelf staat. Waar
het ego wegvalt, licht een lege plek op die vervuld is van werkelijkheid.
Onderlinge weerklank
Wat Basho met zijn dichtkunst tot uitdrukking wilde brengen, is
de onderlinge weerklank van de dingen (de verschijnselen, dieren,
mensen en levenloze materie). Hij was op zoek naar de eenheid
in de veelheid en probeerde een gevoel van 'niet-verschil' op
te roepen tussen het zelf en die wereld. Daarmee maakte hij haiku
tot kensho, kleine momenten van verlichting, waarin het
bewustzijn even ontwaakt in de werkelijkheid achter de individuele
conditioneringen en maatschappelijke conventies. Eén van zulke
momenten beleefde hij zelf een keer middenin de nacht toen het
vroor dat het kraakte.
opeens klaarwakker
als in de vrieskoude nacht
de waterkruik barst
Soldatendromen
Basho maakte driemaal in zijn leven een lange reis door de meest
onherbergzame delen van Japan. Die voettochten duurden respectievelijk
negen maanden, elf maanden en tweeëneenhalf jaar. In de zeventiende
eeuw beschouwden de meeste Japanners reizen als een bezoeking.
Niemand stelde zich graag bloot aan het ongemak van smerige herbergen
en slecht eten of aan het gevaar van peilloze afgronden, gemene
struikrovers, verzengende hitte en moordende kou. Basho had dan
ook een missie, hij beschouwde zijn reizen als een geestelijke
zoektocht. "In de schoonheid van bergen en vlakten, zee en strand,
herkende ik de scheppende kracht van de natuur." Zijn reisverslagen
gaf hij de titels 'Reisverslag van een verweerd skelet', 'Het
verslag van een versleten reistas' en 'De smalle weg naar het
Hoge Noorden'. In het Japans, een taal rijk aan homoniemen, betekent
'Hoge Noorden' ook 'innerlijk'.
Basho trok, zo zei hij, met de wind en de wolken mee. Daarbij
had hij wel degelijk een concreet doel voor ogen: plaatsen bezoeken
die beroemd waren om hun natuurlijke schoonheid en historische
of religieuze betekenis. Eén van de plekken die hij aandeed, was
een vervallen fortencomplex van de Fujiwara. Deze clan heerste
in de 11e en 12 eeuw over de noordelijke delen van Japan. "Hier
was de roem van drie generaties Fujiwara opgelost als in een vluchtige
droom", zo schreef hij. Waar eens kolossale vestingmuren de vijand
op afstand hielden, trof hij slechts een kale heuvel bezaaid met
brokken steen in een weids en leeg landschap. Van de roemrijke
menselijke daden op het slagveld was niets overgebleven dan natuur
en eeuwigheid. Basho schreef: "Gedurende een korte periode van
drie generaties was deze plek vaak het toneel van heldenmoed.
Maar zowel de helden als hun heldhaftigheid zijn al lang verleden
tijd en in vergetelheid geraakt. Als een land is verslagen, resten
slechts bergen en rivieren en ruïnes waarop alleen gras gedijt."
Daarop volgde deze haiku:
zomergras
is alles wat rest van
soldatendromen*
Gesjirp van krekels
Op een ander moment tijdens zijn lange reis naar het Hoge Noorden
bezocht Basho een complex van twaalf tempels bovenop een berg.
"Ik klom naar de tempel die dicht onder de top ligt. De hele berg
is bezaaid met grote rotsblokken en staat vol eeuwenoude pijnbomen
en eiken. De stenige bodem is bedekt met fluweelachtig mos en
heeft de kleur van eeuwigheid. De poorten van de tempels die daar
staan, waren hermetisch gesloten. Geen geluid was te horen. Op
handen en voeten klom ik langs de steile trap omhoog en boog voor
elke schrijn. Ik voelde hoe de helende kracht van deze gewijde
plek mijn hele wezen binnendrong." En toen welde deze haiku op:
diepe stilte -
gesjirp van een cicade
doordringt de rotsen
Krekelgeluid hoort bij de zomer, de cicade doet hier dienst als
seizoenwoord. Daarmee wordt een decor geschapen van zinderende
zomerhitte, wat de verlatenheid van de plek benadrukt. Dat effect
wordt verder aangezet door het beeld van de massieve rotsbodem
waarin toch de stem van de ene, eenzame cicade weet door te dringen.
Net als die rots, raakt Basho's hart vervuld van leegheid en eeuwigheid.
Geluid van water
In het krekelgedicht brengt geluid een betekenisvolle stilte en
plotseling inzicht. Eenzelfde effect treedt op in de volgende
haiku.
o, oude vijver
een kikker springt erin
geluid van water
Stil water roept van ouds een gevoel op van diepte, van de tijdloze,
onbeweeglijke, onpeilbare en onuitsprekelijke oorsprong der dingen.
De plons van de springende kikker doet beseffen dat alleen zo'n
concrete gebeurtenis de waarheid van het onpeilbare en onuitsprekelijke
verstaanbaar kan maken. De waarheid - in de zin van ware werkelijkheid
- toont zich in het 'bewegende nu'. En dan niet in louter symbolische
zin. De sprong van de kikker in de vijver verwijst namelijk
niet alleen naar de eeuwige en onveranderlijke aard die achter,
of liever in, alle veranderlijke verschijnselen ligt. De kikker,
de sprong en de vijver zijn ook dat eeuwige en onveranderlijke.
Hoe paradoxaal het ook klinkt, het eeuwige onveranderlijke valt
in wezen niet te scheiden van het tijdelijke veranderlijke. Met
andere woorden, in dit gedicht zijn de kikker en de oude vijver
geen metafoor maar een manifestatie van het tijdloze en het onbeweeglijke.
Als je goed kijkt…
In zijn tijd maakte het gedicht over de kikker en de oude vijver
Basho in één klap beroemd.
En ook nu nog kent elke Japanner deze regels. Hetzelfde geldt
voor de eerste regel van deze haiku:
als je goed kijkt
bloeit een herderstasje
onder de heg!
Het herderstasje is een hardnekkig onkruid dat kleine witte bloesems
draagt. In deze regels geeft Basho uitdrukking aan zijn ontroering
om het feit dat de lente zelfs plantjes beroert waarop normaal
niemand acht slaat. D.T. Suzuki, gezaghebbend auteur over het
Zen-boeddhisme, zegt over dit gedicht: "Basho voelt het gehele
mysterie dat door dit nietige plantje wordt onthuld - het mysterie
dat de oorsprong is van al wat bestaat. Hij raakt bedwelmd door
dit gevoel en hij uit dat in een woordenloze, onhoorbare kreet."
Met die kreet doelt Suzuki op wat hier met een uitroepteken is
vertaald. In het Japans staat daar een kana, een tweelettergrepig
woord dat een gevoel van vreugde en ontroering weergeeft. Het
is de verwondering om het nietige en alledaagse waar je snel overheen
kijkt. 'Als je goed kijkt', de eerste regel van deze haiku, is
in Japan nog steeds een gevleugeld woord om iemand te wijzen op
iets dat niet opvalt.
Hoed vol sneeuw
Basho was een man die een vita contemplativa stelde boven
een vita activa. Als hij niet reisde, woonde hij in een
hut op een stille plek langs de rivier, ergens aan de rand van
Edo. Met stadse zaken had hij niet veel op. Af en toe dreef hij
de spot met de burgers die druk waren in hun werkplaatsen en kantoren,
terwijl hij op zijn 'buitenplaats' genoot van sneeuw en stilte.
graag verkoop ik u
beste stadslui m'n hoed
met sneeuw beladen
In zijn eenvoudige hut las Basho de boeken van zijn grote voorbeelden,
zoals de taoïst Zhuang Zi. Daar schreef hij ook zijn verhandelingen
over poëzie, zijn reisverhalen en zijn gedichten. Dichten deed
hij regelmatig samen met vrienden en leerlingen. Je zou zeggen,
zo'n leven van denken en dichten met gelijkgestemden binnen handbereik,
dat moet leiden tot grote gemoedsrust. Dat was niet zo. Basho
had ten diepste de eenheid in de veelheid ervaren. En wie de ware
aard van de verschijnselen doorziet, beschouwt de omringende mensenwereld
al snel als een woestijn van oppervlakkigheid. Basho zette zich
meer en meer daartegen af. Dat ging gepaard met een innerlijke
strijd en een verlangen naar afzondering. Krap een jaar voor zijn
dood schreef hij de volgende regels:
"Als anderen bij mij op bezoek komen, vind ik dat zonde van
mijn tijd. Als ik bij anderen op bezoek ga, is dat zonde van hun
tijd. In navolging van Sonkei en Togoro heb ik daarom besloten
mij helemaal terug te trekken achter een hermetisch gesloten deur.
Mijn enige gezelschap zal mijn eenzaamheid zijn, en mijn armoede
mijn rijkdom. Deze zelfopgelegde discipline moet ik als vijftigjarige
toch kunnen opbrengen."
Hoezeer hij zich in de herfst van zijn leven buitenstaander voelde,
illustreert ook deze haiku vol wabi-sabi:
op een kale tak
is een kraai neergestreken
in de herfstavond
In 1694, net begonnen aan zijn vierde lange reis, kreeg Basho
een ernstige aanval van dysenterie. Kort daarop stierf hij in
aanwezigheid van enkele vrienden.
0-0-0